Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jesaja 65

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Ik was bereikbaar voor mensen die niet naar mij informeerden en ik liet me vinden door wie niet naar mij op zoek waren. Tegen een volk dat mijn naam niet aanriep zei ik: “Hier ben ik, hier ben ik.” De hele dag heb ik mijn handen uitgestrekt naar een weerbarstig volk, dat zijn eigen inzichten najaagt op een weg die verkeerd is, een volk dat mij recht in het gezicht en onophoudelijk tot woede tergt, dat offert in tuinen en wierook laat opgaan op bakstenen altaren, dat zich neervlijt tussen de graven en de nacht doorbrengt op geheime plekken, dat zwijnenvlees eet en zijn schalen vult met soep van bedorven vlees, en dat zegt: “Houd afstand, raak me niet aan, want ik ben heiliger dan jij.” Zulke lieden zijn als rook die in mijn neus prikt, een vuur dat de hele dag blijft nasmeulen. Kijk, het ligt bij mij zwart op wit vastgelegd: zwijgen doe ik niet, ik zal het vergelden, ja, ik betaal het hun met volle maat terug, zowel jullie eigen wandaden als die van jullie voorouders bij elkaar, zegt de HEER. Omdat zij op de bergen wierook brandden en mij op de heuvels beschimpten, tel ik hun het volle loon van hun vroegere daden regelrecht in de schoot toe.

Dit zegt de HEER: zoals men bij een druiventros waar nog vocht in zit zegt dat je hem niet moet vernielen omdat er nog een zegen in verborgen zit, zo zal ik ter wille van mijn dienaren handelen en niet alles te gronde richten. Uit Jakob laat ik nakroost voortkomen en uit Juda een erfgenaam van mijn bergland; mijn uitverkorenen zullen het in bezit krijgen en mijn dienaren zullen er hun woonplaats vinden. De Saronvlakte wordt een graasgebied voor het kleinvee en het Achordal een rustplek voor de runderkudden, ten gunste van mijn volk dat mij gezocht heeft. Maar jullie, die de HEER de rug toekeren, die mijn heilige berg uit het oog verliezen, die een dis aanrichten voor de god Gad en de mengbekers volschenken voor Meni: jullie wijs ik toe aan het zwaard, en jullie zullen je allemaal bukken om afgeslacht te worden. Want ik riep zonder dat jullie reageerden, ik sprak zonder dat jullie luisterden; jullie deden juist wat kwaad is in mijn ogen en verkozen wat mij tegenstaat.

Daarom kondigt de soevereine HEER dit aan: let op, mijn dienaren zullen te eten hebben terwijl jullie honger lijden, mijn dienaren zullen drinken terwijl jullie van dorst versmachten, mijn dienaren zullen blij zijn terwijl jullie beschaamd staan; let op, mijn dienaren zullen het uitzingen van harte, terwijl jullie het uitschreeuwen van hartzeer en jammeren omdat je geest gebroken is. Jullie naam zullen jullie achterlaten als een verwensing voor mijn uitverkorenen, en de soevereine HEER zal jullie ter dood brengen, maar zijn dienaren zal hij met een andere naam betitelen. Zo zal wie zich in het land een zegen toewenst dat doen bij de God van trouw, en wie in het land een eed aflegt zal zweren bij de God van trouw; de ellende van vroeger is immers vergeten en aan mijn ogen onttrokken.

Want let op, ik roep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde tot aanzijn; aan wat vroeger was zal niemand meer terugdenken en het zal in niemands hart meer opkomen. Verheug je daarom en jubel voor altijd om wat ik tot stand breng; want kijk, ik maak van Jeruzalem een en al gejubel en van haar inwoners een en al vreugde. Ik zal zelf juichen om Jeruzalem en mij verblijden om mijn volk; nooit meer zal daar het geluid van gehuil of geweeklaag te horen zijn.

Daar zal geen pasgeborene meer zijn die maar een paar dagen leeft en geen oude die zijn jaren niet volmaakt; wie honderd wordt geldt nog als jong gestorven, en wie de honderd haalt zonder recht te doen geldt als vervloekt. Ze zullen huizen neerzetten en er ook zelf in wonen, wijngaarden aanplanten en zelf de opbrengst ervan eten. Ze zullen niet bouwen om een ander erin te laten wonen en niet planten om een ander te laten eten; want de levensduur van mijn volk zal zijn als die van een boom, en mijn uitverkorenen zullen zelf ten volle genieten van wat hun handen hebben voortgebracht. Hun inspanning zal niet voor niets zijn en ze zullen geen kinderen krijgen die een plotseling noodlot wacht; want zij vormen het door de HEER gezegende geslacht, samen met hun nakomelingen die bij hen blijven. En het zal zo zijn dat ik al antwoord geef voordat ze roepen en dat ik al hoor terwijl ze nog aan het spreken zijn. De wolf en het lam zullen samen grazen, de leeuw zal net als het rund stro eten en stof zal het voedsel van de slang worden. Nergens op heel mijn heilige berg zal nog kwaad worden gedaan of verwoesting worden aangericht, zegt de HEER.

← Jesaja 64Jesaja 66 →