Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jesaja 66

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Dit zegt de HEER: de hemel is de zetel waarop ik troon en de aarde de bank waarop mijn voeten rusten. Wat voor huis zouden jullie dan voor mij kunnen optrekken, en welke plek zou mij tot rustplaats dienen? Dit alles is immers door mijn eigen hand gemaakt en zo is het geheel tot stand gekomen, luidt de uitspraak van de HEER. Toch richt ik mijn blik op deze mens: op wie klein is en gebroken van gemoed en die met ontzag voor mijn woord beeft.

Wie een rund slacht handelt als iemand die een mens doodslaat, wie een schaap offert als iemand die een hond de nek breekt, wie een graanoffer opdraagt als iemand die varkensbloed aanbiedt, en wie wierook als herinneringsoffer brengt als iemand die een afgod vereert. Zoals zij hun eigen wegen verkozen en behagen scheppen in hun gruweldaden, zo zal ook ik voor hun ongeluk kiezen en over hen brengen waar ze bang voor zijn. Want toen ik riep gaf niemand antwoord en toen ik sprak luisterde niemand; ze deden juist wat kwaad is in mijn ogen en verkozen wat mij tegenstaat.

Luister naar het woord van de HEER, jullie die met ontzag voor zijn woord beven: jullie eigen volksgenoten die jullie haten en jullie om mijn naam buitensluiten, zeggen honend dat de HEER zijn glorie maar moet tonen zodat zij jullie vreugde kunnen zien; maar zij zijn het die te schande zullen staan. Hoor, er stijgt tumult op uit de stad en gedreun uit de tempel! Het is de HEER wiens stem daar weerklinkt terwijl hij zijn tegenstanders hun verdiende loon uitbetaalt.

Nog voordat de weeën begonnen was zij al bevallen, en voordat de barensnood haar overviel bracht zij een jongen ter wereld. Wie heeft er ooit zoiets vernomen en wie heeft dergelijke dingen gezien? Komt een land soms op één enkele dag tot stand of wordt een volk in één keer geboren? Toch heeft Sion nauwelijks weeën of ze baart al haar kinderen. Zou ik de moederschoot openen en de geboorte dan tegenhouden? zegt de HEER. Of zou ik, die laat baren, de schoot juist sluiten? zegt jouw God.

Deel in de vreugde van Jeruzalem en jubel over haar, jullie allen die van haar houden; verheug je uitbundig met haar, jullie allen die om haar in de rouw waren, zodat jullie je aan haar troostende borst kunnen laven en verzadigen en met volle teugen kunnen genieten van haar overvloedige glorie.

Want dit zegt de HEER: kijk, ik stuur de vrede als een rivier haar kant op en de rijkdom van de volken als een buiten haar oevers tredende stroom; jullie zullen ervan drinken, op de arm gedragen en op de schoot geliefkoosd. Zoals een moeder haar kind vertroost, zo zal ik jullie vertroosten; in Jeruzalem zal je troost gevonden worden. Wanneer jullie dit zien zal je hart opspringen van blijdschap en zullen jullie botten opleven als vers groen; de dienaren van de HEER zullen zijn hand gewaarworden, maar zijn vijanden zijn woede.

Want let op, de HEER komt eraan met vuur en zijn strijdwagens razen als een orkaan, om zijn woede uit te storten in laaiende hitte en zijn dreigement in vlammen van vuur. Met vuur en met zijn zwaard zal de HEER over al wat leeft het vonnis voltrekken, en talrijk zullen de slachtoffers zijn die de HEER velt. Wie zich wijden en reinigen om tuinen binnen te gaan, achter iemand aan die in het midden staat, en wie zwijnenvlees, walgelijk ongedierte en muizen eten, zij zullen samen ten onder gaan, luidt de uitspraak van de HEER.

Ik ken hun daden en hun overwegingen. De tijd breekt aan dat ik alle volken en taalgroepen samenbreng; zij zullen komen en mijn glorie te zien krijgen. Onder hen zal ik een teken plaatsen en enkele overlevenden zenden naar de volken: naar Tarsis, Pul en Lud, dat volk van boogschutters, naar Tubal en Jawan en naar de verafgelegen kustlanden die nog nooit van mij hebben gehoord en mijn glorie niet hebben gezien; zij zullen mijn glorie onder de volken bekendmaken. Uit alle naties zullen zij al jullie volksgenoten met zich meevoeren, als een gave opgedragen aan de HEER, gezeten op paarden en wagens, op draagbaren, muildieren en kamelen, naar mijn heilige berg in Jeruzalem, zegt de HEER, net zoals de Israëlieten hun offergave in een rein vaatwerk naar de tempel van de HEER brengen. En ook uit hun kring zal ik er sommigen uitkiezen om als priester en Leviet te dienen, zegt de HEER.

De nieuwe hemel en nieuwe aarde die door mij gemaakt worden zullen voor mijn aangezicht standhouden, luidt de uitspraak van de HEER, en op dezelfde wijze houden ook jullie naam en nakomelingschap voorgoed stand. En zo zal het gaan: bij elke nieuwe maan en op elke sabbat opnieuw zal al wat leeft zich komen neerwerpen in mijn tegenwoordigheid, luidt de uitspraak van de HEER. En als zij naar buiten gaan zullen zij de dode lichamen onder ogen krijgen van hen die tegen mij in verzet kwamen; de worm die aan hen blijft knagen zal niet sterven en het vuur dat hen verbrandt zal niet doven, en zij zullen voor al wat leeft een afschuwwekkende aanblik zijn.

← Jesaja 65einde →