Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jesaja 64

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Och, spleet u de hemel toch maar open om af te dalen, zodat de bergen bij uw verschijning zouden beven, zoals vuur droge takken laat oplaaien en het water aan de kook brengt, om uw naam aan uw tegenstanders kenbaar te maken, zodat de volken voor u ineenkrimpen van angst. Toen u ontzagwekkende dingen verrichtte waarop wij niet hadden gerekend, daalde u neer en sidderden de bergen voor u. Sinds mensenheugenis heeft niemand het gehoord of vernomen en heeft geen oog een God gezien zoals u, die zich inzet voor wie op hem blijft wachten.

U komt degene tegemoet die vol vreugde het goede doet en die op uw wegen aan u blijft denken. Maar kijk, u werd woedend toen wij ons misdroegen; wij volhardden er lang in, hoe kunnen wij dan nog worden gered? Wij zijn allemaal geworden als iemand die onrein is en al onze goede daden zijn niet meer dan een besmeurd kledingstuk; wij verwelken allemaal als een blad, en onze wandaden voeren ons weg zoals de wind dat doet. Er is niemand meer die uw naam aanroept en niemand die zich vermant om zich aan u vast te klampen; want u hebt uw gezicht voor ons verborgen en ons overgeleverd aan de macht van onze eigen schuld.

En toch, HEER, bent u onze Vader; wij zijn de klei en u bent de pottenbakker, wij allemaal zijn vervaardigd door uw hand. Wees niet mateloos woedend, HEER, en houd onze schuld niet voor altijd in gedachten. Kijk toch, sla acht op ons: wij zijn immers allemaal uw eigen volk. Uw heilige steden zijn tot een woestenij verworden, Sion is een verlaten vlakte geworden en Jeruzalem een puinhoop. Onze heilige en luisterrijke tempel, waar onze voorouders u loofden, is door het vuur verwoest, en al wat ons dierbaar was ligt nu in scherven. Kunt u zich bij dit alles nog inhouden, HEER? Blijft u zwijgen en laat u ons zo diep in ellende wegzinken?

← Jesaja 63Jesaja 65 →