Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jesaja 33

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Wee jou, verwoester, die zelf nog niet verwoest bent, en verrader, die zelf nog door niemand verraden is! Zodra je met verwoesten klaar bent, zul je zelf verwoest worden, en zodra je met verraden ophoudt, zullen zij jou verraden. HEER, betoon ons genade, op u vestigen wij onze hoop. Wees elke morgen hun steun, ja, wees onze redding wanneer de nood aan de man komt. Zodra uw stem dreunt, slaan de volken op de vlucht; komt u overeind, dan spatten de naties uiteen. Jullie buit wordt weggegrist zoals kaalvretende sprinkhanen alles wegvreten; men stort zich erop met de gulzigheid van een sprinkhanenzwerm. Verheven is de HEER, want hij zetelt in de hoogte; met recht en gerechtigheid vervult hij Sion. Hij zal de vaste grond onder jouw tijden zijn, een schatkamer vol redding, wijsheid en kennis; en het ontzag voor de HEER, dat is de schat die daarin ligt.

Kijk, hun dapperste mannen schreeuwen het uit op straat en de vredesgezanten wenen bittere tranen. De wegen zijn uitgestorven, geen reiziger die er nog langskomt. Het verdrag is verbroken, de steden zijn veracht en voor geen mens heeft men nog achting. Het land treurt en kwijnt weg; de Libanon staat beschaamd en verwelkt, de Saronvlakte is tot steppe verworden, en Basan en de Karmel verliezen hun bladerdek. Nu kom ik in actie, zegt de HEER, nu zal ik mij oprichten en mij in volle grootte tonen. Zwanger van kaf gaan jullie, maar jullie baren niet meer dan stro; jullie eigen adem is een vuur dat jullie verteert. De volken zullen als tot kalk verbrande dorens worden, als afgekapt struikgewas dat men in het vuur steekt. Hoor, jullie verre volken, wat ik heb gedaan, en jullie die dichtbij zijn, erken hoe machtig ik ben.

In Sion zijn de zondaars van angst vervuld en bevangt de huiver de huichelaars: wie van ons houdt het uit bij dat verterende vuur? Wie van ons kan verblijven bij die eeuwige gloed? Wie rechtvaardig leeft en de waarheid spreekt, wie geen winst uit afpersing wil, wie zijn handen schoon houdt van smeergeld, wie zijn oren toestopt voor plannen tot bloedvergieten en zijn ogen sluit om het kwaad niet te hoeven zien, die zal hoog en veilig wonen; een rotsburcht biedt hem beschutting, zijn brood is hem gewaarborgd en van water is hij verzekerd.

Met eigen ogen zul je een koning in zijn luister zien en een land waarnemen dat zich wijd uitstrekt. In gedachten zul je terugkeren naar de verschrikking van vroeger: waar is nu de belastingteller, waar de weger, waar hij die de verdedigingstorens telde? Dat brutale volk zul je niet meer te zien krijgen, dat volk met een onverstaanbaar krom taaltje en een brabbeltong die nergens op slaat. Werp een blik op Sion, de stad waar wij onze feesten vieren; met eigen ogen zul je Jeruzalem waarnemen als een oord van veilige rust, een tent die nooit wordt afgebroken en waarvan geen tentpin ooit wordt losgetrokken en geen enkel touw ooit knapt. Want juist daar toont de HEER zich aan ons in zijn majesteit, als een plek met rivieren en brede waterstromen, waarop geen roeiboot vaart en waar geen indrukwekkend schip langsvaart. Want de HEER is onze rechter, de HEER is onze wetgever, de HEER is onze koning, en hij zal het zijn die ons redt. Jouw scheepstouwen bungelen los, ze houden de mast niet meer op zijn plaats en spannen het zeil niet meer; maar dan wordt een enorme buit verdeeld, en zelfs de kreupelen halen hun deel binnen. Geen bewoner zal nog zeggen: “Ik ben ziek.” Het volk dat er woont, krijgt zijn schuld kwijtgescholden.

← Jesaja 32Jesaja 34 →