Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jesaja 34

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Kom dichterbij, volken, en spits je oren; luister aandachtig, naties. Laat de aarde toehoren met alles wat zich op haar bevindt, de hele wereld met heel haar nakomelingschap. De HEER is immers woedend geworden op alle volken en zijn toorn richt zich tegen heel hun krijgsmacht; hij heeft hen aan de vernietiging gewijd en overgeleverd aan het bloedbad. Wie van hen valt, blijft onbegraven liggen; uit hun rottende lichamen walmt de stank omhoog en het bergland wordt week van al dat vergoten bloed. Het hele hemelse leger zal wegteren en als een boekrol wordt de hemel opgerold; die sterrenmacht verwelkt en dwarrelt neer, net als een blad dat loslaat van de wijnrank of een verschrompelde vrucht die van de vijgenboom valt.

Mijn zwaard heeft zich boven in de hemel verzadigd; zie hoe het nu neerkomt op Edom, op het volk dat ik ten ondergang heb bestemd, om het vonnis te voltrekken. Het zwaard van de HEER zit onder het bloed en glimt van vet: het bloed van lammeren en bokken, het niervet van rammen. Want in Bosra richt de HEER een offer aan en in het gebied van Edom een omvangrijke slachtpartij. Samen met hen zakken de wilde stieren neer, jonge runderen naast de geweldenaars; hun bodem raakt doordrenkt van bloed en het vet druipt in hun aarde. Voor de HEER is dit namelijk een dag waarop hij wraak neemt, een jaar van vergelding om de zaak van Sion recht te zetten.

De stromen van Edom slaan om in pek en het stof ervan in zwavel; heel het land verandert in laaiend pek. Dag noch nacht zal die brand geblust worden en eindeloos kringelt de rook omhoog; verwoest ligt het van de ene generatie tot de volgende, en nooit meer zal iemand er nog doortrekken. Kraanvogel en roerdomp maken zich er meester van, terwijl uil en raaf er hun verblijf zoeken; hij zal er het meetsnoer van de chaos overheen trekken en het schietlood van de leegte laten hangen. Van haar aanzienlijken is er niemand meer om het koningschap uit te roepen, en al haar leiders lopen op niets uit. In haar burchten woekeren de doornstruiken op, brandnetel en distel overwoekeren haar vestingwerken; ze wordt het domein van jakhalzen en een wijk voor struisvogels. Wilde woestijndieren komen er de hyena’s tegen en de ene demon roept naar de andere; ja, daar strijkt het nachtspook neer om voor zichzelf een rustplek te vinden. Daar maakt de pijlslang haar nest, legt haar eieren, laat ze uitkomen en verzamelt haar broedsel onder haar schaduw; en ook de gieren komen daar bijeen, de een gezellig naast de ander.

Sla het boek van de HEER erop na en lees: van al deze dieren zal er niet één ontbreken, geen van hen mist zijn soortgenoot. Zijn eigen mond heeft het immers zo bevolen en zijn Geest heeft hen samengebracht. Hij is het die voor hen het lot heeft geworpen en met het meetsnoer heeft zijn hand hun ieder een stuk land toebedeeld; voorgoed zullen zij het bezitten en van geslacht op geslacht er blijven wonen.

← Jesaja 33Jesaja 35 →