Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Romeinen 9

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Verbonden met de Gezalfde spreek ik de waarheid, ik lieg niet, en mijn geweten bevestigt het mee, door de heilige Geest: ik draag een groot verdriet en een onophoudelijke pijn in mijn hart. Voor mijn broeders en zusters, mijn eigen volksgenoten naar het vlees, zou ik zelfs wel vervloekt en van de Gezalfde afgesneden willen zijn. Zij zijn immers Israëlieten; aan hen behoren het kindschap en de glorie, de verbonden en de wetgeving, de eredienst en de beloften; van hen stammen de aartsvaders af, en uit hen komt naar het vlees de Gezalfde voort, hij die boven alles staat, God, geprezen tot in eeuwigheid. Amen.

Toch is het niet zo dat Gods woord heeft gefaald. Want niet allen die van Israël afstammen, vormen werkelijk Israël, en niet allen die nakomelingen van Abraham zijn, gelden als zijn kinderen; er staat immers: “Via Isaak zal jouw nageslacht genoemd worden.” Met andere woorden: niet de kinderen naar het vlees zijn Gods kinderen, maar de kinderen van de belofte gelden als het echte nageslacht. Want zo luidde de belofte: “Rond deze tijd kom ik terug, en dan zal Sara een zoon hebben.” En niet alleen dat: hetzelfde geldt voor Rebekka, die van één man zwanger was, van onze vader Isaak. Toen haar kinderen nog niet geboren waren en dus nog niets goeds of kwaads hadden gedaan, zodat Gods voornemen, dat op verkiezing berust, zou blijven staan, niet op grond van daden maar dankzij hem die roept, werd al tegen haar gezegd: “De oudste zal de jongste dienen.” Zo staat het ook geschreven: “Jakob heb ik liefgehad, maar Ezau heb ik gehaat.”

Wat is dan onze slotsom? Dat er bij God onrecht zou zijn? In geen geval! Tegen Mozes zegt hij namelijk: “Ik ben genadig voor wie ik genadig wil zijn, en ik ontferm me over wie ik me ontfermen wil.” Het hangt dus niet af van wat een mens wil of hoe hard hij loopt, maar van de ontferming van God. De Schrift zegt immers tegen de farao: “Juist hiervoor heb ik je naar voren geschoven: dat ik in jou mijn macht zou tonen en mijn naam over heel de aarde bekend zou worden.” Zo ontfermt hij zich dus over wie hij wil, en wie hij wil maakt hij hardvochtig.

Nu zul je tegen me inbrengen: “Waarom rekent hij het ons dan nog aan? Tegen zijn wil valt immers toch niets uit te richten?” Maar wie ben jij wel, mens, dat je tegen God in durft te gaan? Zegt het maaksel soms tegen zijn maker: “Waarom heb je me zo gemaakt?” Of heeft de pottenbakker niet de vrije hand over het leem, om uit dezelfde klomp klei het ene voorwerp voor een eervol doel te vormen en het andere voor gewoon gebruik? En als God nu, hoewel hij zijn toorn wilde tonen en zijn macht kenbaar wilde maken, met veel geduld de voorwerpen van zijn toorn heeft verdragen, die rijp waren voor de ondergang, en dit deed om de rijkdom van zijn glorie te openbaren aan de voorwerpen waarover hij zich ontfermt, die hij van tevoren tot die glorie had bestemd? En dat zijn wij, die hij geroepen heeft, en niet enkel uit de Joden maar evenzeer uit de heidenen. Zo zegt hij het ook bij Hosea: “Wie mijn volk niet waren, zal ik mijn volk gaan noemen, en wie ik niet liefhad, mijn geliefde. En juist op de plaats waar men hun zei: ‘Jullie zijn mijn volk niet’, zullen ze kinderen van de levende God heten.” Jesaja op zijn beurt roept over Israël uit: “Al zouden de Israëlieten zo talrijk zijn als het zand aan de zee, slechts een overblijfsel zal worden gered. Want volledig en zonder uitstel zal de Heer zijn woord op aarde ten uitvoer brengen.” En zoals Jesaja het al eerder voorzegde: “Had de HEER van de hemelse legermachten ons geen nageslacht nagelaten, dan waren we als Sodom geworden en aan Gomorra gelijk.”

Wat is dan onze slotsom? Dat volken die niet naar gerechtigheid streefden, gerechtigheid hebben verworven, en wel de gerechtigheid die uit geloof voortkomt; terwijl Israël, dat een wet van gerechtigheid najoeg, die wet juist niet bereikt heeft. Waarom niet? Omdat het niet uit geloof, maar zogenaamd uit werken zocht. Ze zijn gestruikeld over de steen die tot struikelen brengt, zoals er geschreven staat: “Kijk, in Sion leg ik een steen waarover men struikelt en een rots die ten val brengt; maar wie zijn vertrouwen op hem stelt, komt niet bedrogen uit.”

← Romeinen 8Romeinen 10 →