Hoofdstuk
Romeinen 10
Broeders en zusters, wat mijn hart verlangt en waar ik God voor smeek, is dat zij gered worden. Ik kan van hen getuigen dat ze zich met overgave voor God inzetten, maar zonder het juiste inzicht. Doordat ze Gods gerechtigheid niet erkennen en hun eigen gerechtigheid overeind proberen te houden, hebben ze zich niet gevoegd naar de gerechtigheid van God. Want in de Gezalfde vindt de wet haar einddoel, zodat ieder die gelooft wordt vrijgesproken.
Over de gerechtigheid uit de wet schrijft Mozes namelijk: “Wie deze naleeft, zal daardoor leven.” Maar de gerechtigheid uit geloof zegt iets anders: “Vraag je niet in je hart af: Wie zal er naar de hemel opklimmen?” (dat zou immers betekenen: de Gezalfde laten neerdalen), of: “Wie zal er afdalen in de afgrond?” (dat zou betekenen: de Gezalfde uit de dood omhooghalen). Nee, wat zegt ze wél? “Het woord is vlak bij je, in je mond en in je hart.” Dit nu is het woord van het geloof dat wij prediken. Als je openlijk erkent dat Jezus de Heer is en in je hart gelooft dat God hem uit de dood heeft opgewekt, dan zul je worden gered. Want met het hart komt men tot geloof, dat tot gerechtigheid leidt, en met de mond legt men de belijdenis af die tot redding leidt. De Schrift zegt immers: “Niemand die op hem vertrouwt, zal beschaamd staan.” Er is namelijk geen verschil tussen Jood en Griek: een en dezelfde Heer is Heer over allen, rijk voor allen die hem aanroepen. Immers: “Al wie de naam van de Heer aanroept, zal worden gered.”
Maar hoe kunnen ze iemand aanroepen in wie ze niet geloven? En hoe kunnen ze geloven in iemand van wie ze nooit gehoord hebben? En hoe kunnen ze horen als niemand het verkondigt? En hoe kan iemand verkondigen zonder gezonden te zijn? Zo staat er geschreven: “Hoe welkom zijn de voeten van wie het goede nieuws komen brengen.” Maar niet iedereen heeft aan het evangelie gehoor gegeven. Jesaja zegt immers: “Heer, wie heeft onze boodschap geloofd?” Zo blijkt: geloof ontstaat door te luisteren, en het luisteren gebeurt door het woord van de Gezalfde. Maar ik vraag: hebben ze het dan niet gehoord? Jazeker: “Over heel de aarde is hun geluid uitgegaan, en tot aan de einden van de wereld hun woorden.” Ik vraag verder: heeft Israël het soms niet begrepen? Al als eerste zegt Mozes: “Ik zal jullie afgunstig maken op wat geen volk is, ik zal jullie prikkelen met een volk zonder verstand.” En Jesaja durft het zelfs aan om te zeggen: “Ik liet me vinden door wie niet naar mij op zoek waren; ik ben verschenen aan wie niet naar mij vroegen.” Maar over Israël zegt hij: “De hele dag heb ik mijn handen uitgestrekt naar een volk dat ongehoorzaam is en zich verzet.”