Woordanker leesuitgave ‹ ›

Psalm

Psalm 73

Een psalm van Asaf.

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Werkelijk, goed is God voor Israël, voor allen die rein van hart zijn.

Maar wat mij betreft: mijn voeten hadden bijna hun houvast verloren, het scheelde weinig of mijn stappen waren weggegleden,

want ik benijdde de grootsprekers toen ik zag hoe goed het de goddelozen ging.

Tot aan hun sterven blijven kwellingen hun bespaard, hun lichaam is welgedaan en gezond.

Het zwoegen van de gewone mens kennen zij niet, en met de plagen van andere stervelingen worden zij niet getroffen.

Daarom siert de trots hen als een halsketting en slaat het geweld zich om hen als een mantel.

Van vet puilen hun ogen uit, en de inbeeldingen van hun hart lopen over.

Zij drijven de spot en spreken venijnig, en uit de hoogte dreigen zij met verdrukking.

Met hun mond reiken zij tot in de hemel, en hun tong zwerft over heel de aarde.

Zo komt het dat zelfs zijn eigen volk zich naar hen toekeert en hun woorden inzwelgt of het overvloedig water was.

En zij zeggen: “Hoe zou God dat te weten komen? Beschikt de Allerhoogste soms over kennis?”

Kijk, zo gaat het de goddelozen: onbezorgd als altijd hopen zij hun rijkdom op.

Dan heb ik dus voor niets mijn hart zuiver bewaard en mijn handen in onschuld gewassen,

terwijl ik dag in dag uit word gekweld en mij elke ochtend een tuchtiging wacht.

Zou ik gezegd hebben: “Ik ga er net zo over praten”, dan was ik het geslacht van uw kinderen ontrouw geweest.

Toen ik erover peinsde om het te doorgronden, bleef het een marteling in mijn ogen,

totdat ik Gods heiligdom betrad en ging beseffen hoe het met hen afloopt.

Ja, op een gladde ondergrond plaatst u hen, en u laat hen neerstorten tot een ruïne.

In een oogwenk worden zij een puinhoop, weggevaagd en door verschrikkingen verteerd!

Als een droombeeld dat bij het ontwaken vervaagt, zo veracht u, Heer, hun spookgestalte zodra u opstaat.

Toen mijn hart verbitterd raakte en een steek door mijn binnenste ging,

was ik onnozel en begreep niets, als een stom dier stond ik voor u.

Toch blijf ik voortdurend bij u;
u hebt mij bij mijn rechterhand vastgepakt.

Met uw raadgeving zult u mij geleiden en mij ten slotte opnemen in majesteit.

Wie heb ik in de hemel, buiten u? En naast u begeer ik niets op aarde.

Al begeven mijn lichaam en mijn hart het, God is de rots van mijn hart en voorgoed mijn deel.

Want kijk, wie zich ver van u houden gaan ten onder;
u vernietigt allen die u ontrouw de rug toekeren.

Maar voor mij geldt: dicht bij God te zijn is mijn geluk;
bij de soevereine HEER heb ik mijn toevlucht gezocht, om over al uw daden te vertellen.

← Psalm 72Psalm 74 →