Psalm
Psalm 102
Een gebed van een ellendige, wanneer hij bezwijkt en zijn klacht uitstort voor de HEER.
HEER, luister naar mijn gebed, laat mijn noodkreet u bereiken.
Houd uw gelaat niet voor mij verborgen wanneer ik in nood verkeer;
buig uw oor naar mij, en op de dag dat ik roep, geef mij snel antwoord.
Want mijn dagen lossen op als rook, en mijn gebeente gloeit als een smeulende haard.
Mijn hart is als geschroeid gras verdroogd, zodat ik zelfs vergeet mijn brood te eten.
Van al mijn luide gekreun kleeft mijn gebeente aan mijn huid.
Ik ben als een kauw in de wildernis, als een steenuil te midden van ruïnes.
Slapeloos waak ik, als een verlaten vogel op een dak.
Onophoudelijk beschimpen mijn vijanden mij;
wie tegen mij tekeergaan, spreken mijn naam uit als een vervloeking.
As is het voedsel dat ik eet, en mijn drank vermeng ik met tranen,
vanwege uw woede en verontwaardiging, want u hebt mij opgetild en van u weggeworpen.
Mijn dagen zijn als een schaduw die zich uitrekt, en ik verwelk zoals gras.
Maar u, HEER, zetelt voor altijd, en uw naam duurt voort door alle geslachten heen.
U zult opstaan om u over Sion te ontfermen, want de tijd is aangebroken om haar genade te bewijzen, ja, het vastgestelde uur is daar.
Want uw dienaren zijn aan haar stenen gehecht en hebben medelijden met haar puinhopen.
Dan zullen de volken ontzag krijgen voor de naam van de HEER, en alle koningen van de aarde voor uw glorie,
wanneer de HEER Sion heeft opgebouwd en in zijn glorie is verschenen,
wanneer hij zich heeft toegekeerd naar het gebed van de ontredderden en hun smeekbede niet heeft afgewezen.
Laat dit voor een toekomstig geslacht worden opgetekend, zodat een volk dat nog geboren moet worden de Heer zal loven.
Want vanuit zijn heilige hoogte heeft hij neergekeken, vanuit de hemel heeft de HEER zijn blik op de aarde gericht,
om het gejammer van de gevangene te horen en hen die de dood al toegewezen kregen los te maken,
zodat men in Sion de naam van de HEER bekendmaakt en zijn lof in Jeruzalem laat klinken,
wanneer volken en koninkrijken zich verzamelen om de HEER te dienen.
Halverwege de weg heeft hij mijn kracht gebroken en mijn levensdagen bekort.
Ik smeek: “Mijn God, ruk mij niet weg terwijl mijn leven pas halverwege is, u, van wie de jaren zich uitstrekken over alle geslachten.”
In het begin hebt u de aarde gevestigd, en de hemel is het maaksel van uw handen.
Die zullen vergaan, maar u blijft;
ze slijten allemaal als een kledingstuk. U verwisselt ze als een gewaad, en ze zijn verdwenen.
Maar u blijft dezelfde, en aan uw jaren komt nooit een einde.
De kinderen van uw dienaren zullen in veiligheid wonen, en hun nakomelingen zullen voor u standhouden.