Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Johannes 8

(8:1 tot 8:11 ontbreekt in de oudste handschriften; zie de notities.)

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Jezus zelf ging naar de Olijfberg. In alle vroegte kwam hij weer naar de tempel, en al het volk stroomde naar hem toe; hij zette zich neer en begon hun onderricht te geven. Toen brengen de schriftgeleerden en de farizeeën een vrouw bij hem die op overspel betrapt was. Zij zetten haar in het midden en zeggen tegen hem: “Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt bij het plegen van overspel. In de wet heeft Mozes ons geboden zulke vrouwen te stenigen. Wat zegt ú ervan?” Dit zeiden zij om hem op de proef te stellen, zodat zij een grond zouden hebben om hem aan te klagen. Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger in het zand. Toen zij hem bleven ondervragen, richtte hij zich op en zei tegen hen: “Wie van jullie zonder zonde is, moet als eerste een steen op haar werpen.” Opnieuw boog hij zich voorover en schreef in het zand. Toen zij dat hoorden, gingen zij een voor een weg, te beginnen bij de oudsten, en Jezus bleef alleen achter, met de vrouw die daar in het midden stond. Jezus richtte zich op en zei tegen haar: “Vrouw, waar zijn zij? Heeft niemand u veroordeeld?” Zij zei: “Niemand, Heer.” Jezus zei: “Dan veroordeel ik u ook niet. Ga, en zondig van nu af niet meer.”

Opnieuw sprak Jezus tot hen: “Ik ben het licht van de wereld. Wie mij volgt, loopt beslist niet in de duisternis rond, maar zal het licht van het leven bezitten.” De farizeeën zeiden dan tegen hem: “U getuigt over uzelf; zo’n getuigenis van u is niet geldig.” Jezus antwoordde hun: “Ook al getuig ik over mijzelf, mijn getuigenis is geldig, omdat ik weet vanwaar ik gekomen ben en waarheen ik ga; maar jullie weten niet vanwaar ik kom of waarheen ik ga. Jullie oordelen naar het vlees; ik oordeel niemand. Als ík al oordeel, dan is mijn oordeel waarachtig, omdat ik niet alleen ben: ik ben er samen met de Vader die mij gezonden heeft. Ook in jullie eigen wet staat geschreven dat wat twee mensen getuigen, geldig is. Ik ben het die over mijzelf getuig, en ook de Vader die mij gezonden heeft, getuigt over mij.” Zij zeiden dan tegen hem: “Waar is uw Vader?” Jezus antwoordde: “Jullie kennen mij niet, en mijn Vader ook niet. Als jullie mij kenden, zouden jullie ook mijn Vader kennen.” Deze woorden sprak hij bij de schatkamer, terwijl hij onderricht gaf in de tempel; en niemand greep hem, omdat zijn uur nog niet gekomen was.

Opnieuw zei hij dan tegen hen: “Ik ga heen, en jullie zullen mij zoeken, en in jullie zonde zullen jullie sterven. Waar ík heen ga, kunnen jullie niet komen.” De Joden zeiden dan: “Hij gaat toch niet zichzelf doden, dat hij zegt: Waar ik heen ga, kunnen jullie niet komen?” Daarop zei hij tegen hen: “Jullie zijn van beneden, ik ben van boven; jullie zijn van deze wereld, ik ben niet van deze wereld. Daarom heb ik jullie gezegd dat jullie in jullie zonden zullen sterven; want als jullie niet geloven dat ik het ben, zullen jullie in jullie zonden sterven.” Zij zeiden dan tegen hem: “Wie bent u?” Jezus zei tegen hen: “Wat ik jullie van het begin af al zeg. Ik heb veel over jullie te zeggen en te oordelen; maar hij die mij gezonden heeft is waarachtig, en wat ík van hem gehoord heb, dát zeg ik tegen de wereld.” Zij begrepen niet dat hij tot hen over de Vader sprak. Jezus zei dan: “Wanneer jullie de Mensenzoon omhooggeheven hebben, dan zullen jullie weten dat ik het ben, en dat ik uit mijzelf niets doe, maar zó spreek zoals de Vader het mij geleerd heeft. Hij die mij gezonden heeft, is bij mij; hij heeft mij niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat hem behaagt.” Terwijl hij dit sprak, gingen velen op hem vertrouwen.

Jezus zei dan tegen de Joden die hem waren gaan geloven: “Als jullie in mijn woord blijven, zijn jullie werkelijk mijn leerlingen; dan zullen jullie de waarheid kennen, en de waarheid zal jullie vrijmaken.” Zij antwoordden hem: “Wij zijn nageslacht van Abraham en zijn nooit iemands slaven geweest. Hoe kunt u zeggen: Jullie zullen vrij worden?” Jezus antwoordde hun: “Waarachtig, waarachtig, ik zeg jullie: ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde. De slaaf blijft niet voor altijd in het huis; de zoon blijft er voor altijd. Als dus de Zoon jullie vrijmaakt, zullen jullie werkelijk vrij zijn. Ik weet dat jullie nageslacht van Abraham zijn; maar jullie proberen mij te doden, omdat mijn woord bij jullie geen plaats krijgt. Ik spreek wat ik bij de Vader gezien heb; en jullie doen dus wat jullie van de vader gehoord hebben.” Zij antwoordden hem: “Onze vader is Abraham.” Jezus zegt tegen hen: “Als jullie kinderen van Abraham zijn, doe dan de werken van Abraham. Maar nu proberen jullie mij te doden, een mens die jullie de waarheid heeft gezegd, de waarheid die ik van God gehoord heb. Zo iets heeft Abraham niet gedaan. Jullie doen de werken van jullie vader.” Zij zeiden tegen hem: “Wíj zijn niet uit ontucht geboren; één Vader hebben wij: God.” Jezus zei tegen hen: “Als God jullie Vader was, zouden jullie mij liefhebben; want ik ben van God uitgegaan en hier gekomen. Ik ben immers niet uit mijzelf gekomen, maar hij heeft mij gezonden. Waarom verstaan jullie mijn taal niet? Omdat jullie mijn woord niet kunnen aanhoren. Jullie zijn uit de vader, de duivel, en jullie willen de begeerten van jullie vader doen. Hij was een mensenmoordenaar vanaf het begin, en in de waarheid staat hij niet, omdat er geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit zijn eigen voorraad, want een leugenaar is hij, en de vader van de leugen. Maar mij geloven jullie niet, omdat ík de waarheid zeg. Wie van jullie kan mij van zonde overtuigen? Als ik de waarheid zeg, waarom geloven jullie mij dan niet? Wie uit God is, hoort de woorden van God. Daarom horen jullie niet: omdat jullie niet uit God zijn.”

De Joden antwoordden hem: “Zeggen wij niet met recht dat u een Samaritaan bent en dat u bezeten bent?” Jezus antwoordde: “Ik ben niet bezeten; ik eer mijn Vader, en jullie onteren mij. Ik zoek niet mijn eigen glorie; er is er een die haar zoekt en die oordeelt. Waarachtig, waarachtig, ik zeg jullie: als iemand mijn woord bewaart, zal hij in eeuwigheid de dood niet zien.” De Joden zeiden tegen hem: “Nu weten wij zeker dat u bezeten bent. Abraham is gestorven, de profeten ook, en ú zegt: Als iemand mijn woord bewaart, zal hij in eeuwigheid de dood niet proeven. Bent u soms meer dan onze vader Abraham, die toch gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven. Wie maakt u van uzelf?” Jezus antwoordde: “Als ík mijzelf verheerlijk, is mijn glorie niets. Het is mijn Vader die mij verheerlijkt, van wie jullie zeggen: Hij is onze God. Jullie hebben hem niet leren kennen; ík ken hem wel. En als ik zou zeggen dat ik hem niet ken, dan was ik net als jullie een leugenaar; maar ik ken hem, en zijn woord bewaar ik. Abraham, jullie vader, heeft gejubeld dat hij mijn dag zou zien; hij heeft hem gezien en zich verheugd.” De Joden zeiden dan tegen hem: “Vijftig jaar bent u nog niet, en Abraham hebt u gezien?” Jezus zei tegen hen: “Waarachtig, waarachtig, ik zeg jullie: voordat Abraham er was, ben ik.” Toen raapten zij stenen op om ze naar hem te gooien; Jezus echter verborg zich en ging de tempel uit.

← Johannes 7Johannes 9 →