Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Johannes 7

(7:53 tot 8:11 ontbreekt in de oudste handschriften; zie de notities.)

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Hierna trok Jezus rond in Galilea; in Judea wilde hij namelijk niet rondtrekken, omdat de Joden erop uit waren hem te doden. Nu was het feest van de Joden, het Loofhuttenfeest, nabij. Zijn broers zeiden dan tegen hem: “Ga hier weg en vertrek naar Judea, dan kunnen ook je leerlingen de werken zien die je doet. Niemand doet immers iets in het verborgene terwijl hij zelf in de openbaarheid wil staan. Als je deze dingen doet, laat je dan aan de wereld zien.” Want ook zijn broers vertrouwden niet op hem. Jezus zegt dan tegen hen: “Mijn tijd is er nog niet, maar jullie tijd is er altijd. De wereld kan jullie niet haten, maar mij haat zij, omdat ik over haar getuig dat haar werken slecht zijn. Gaan jullie maar op naar het feest; ík ga niet op naar dit feest, want mijn tijd is nog niet vervuld.” Nadat hij dit had gezegd, bleef hij in Galilea. Maar toen zijn broers naar het feest waren opgegaan, ging ook hijzelf op, niet openlijk, maar als het ware in het verborgene. De Joden zochten hem dan op het feest en zeiden: “Waar is die man?” Onder de menigte werd veel over hem gemompeld. Sommigen zeiden: “Hij is goed.” Anderen zeiden: “Nee, hij misleidt de menigte.” Toch sprak niemand vrijuit over hem, uit vrees voor de Joden.

Toen het feest al halverwege was, ging Jezus op naar de tempel en gaf onderricht. De Joden stonden dan versteld en zeiden: “Hoe kent hij de Schriften, zonder dat hij onderwijs heeft gehad?” Jezus antwoordde hun: “Wat ik leer, is niet van mij, maar van hem die mij gezonden heeft. Als iemand zijn wil wil doen, zal hij van deze leer weten of zij uit God is, of dat ik uit mijzelf spreek. Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen glorie; maar wie de glorie zoekt van hem die hem gezonden heeft, die is waarachtig, en in hem is geen onrecht. Heeft Mozes jullie de wet niet gegeven? En niemand van jullie doet de wet. Waarom proberen jullie mij te doden?” De menigte antwoordde: “U bent bezeten! Wie probeert u te doden?” Jezus antwoordde hun: “Eén werk heb ik gedaan, en jullie staan er allemaal versteld van. Mozes heeft jullie de besnijdenis gegeven, al komt zij niet van Mozes maar van de vaders, en daarom besnijden jullie een mens ook op sabbat. Als een mens op sabbat de besnijdenis ontvangt om de wet van Mozes niet te breken, zijn jullie dan verbitterd op mij omdat ik op sabbat een mens helemaal gezond heb gemaakt? Oordeel niet naar de buitenkant, maar oordeel met een rechtvaardig oordeel.”

Sommigen van de inwoners van Jeruzalem zeiden dan: “Is dat niet de man die zij proberen te doden? Kijk, hij spreekt vrijuit en zij zeggen niets tegen hem. Zouden de leiders soms werkelijk tot het inzicht zijn gekomen dat hij de Gezalfde is? Maar van hem weten wij waar hij vandaan komt; wanneer de Gezalfde komt, weet niemand waar hij vandaan komt.” Daarop riep Jezus, terwijl hij onderricht gaf in de tempel: “Jullie kennen mij en jullie weten waar ik vandaan kom. Toch ben ik niet uit mijzelf gekomen; hij die mij gezonden heeft, is waarachtig, en hem kennen jullie niet. Ík ken hem, want ik kom van hem, en hij heeft mij gezonden.” Zij probeerden hem dan te grijpen, maar niemand legde de hand op hem, want zijn uur was nog niet gekomen. Uit de menigte gingen echter velen op hem vertrouwen, en zij zeiden: “Zal de Gezalfde, wanneer hij komt, soms meer tekenen doen dan deze man heeft gedaan?” De farizeeën hoorden de menigte dit over hem mompelen, en de hogepriesters en de farizeeën stuurden gerechtsdienaars om hem te grijpen. Jezus zei dan: “Nog een korte tijd ben ik bij jullie; dan ga ik heen naar hem die mij gezonden heeft. Jullie zullen mij zoeken en niet vinden, en waar ík ben, kunnen jullie niet komen.” De Joden zeiden dan tegen elkaar: “Waar wil hij heen gaan, dat wíj hem niet kunnen vinden? Wil hij soms naar de verstrooiing onder de Grieken om de Grieken onderricht te geven? Wat is dat voor een woord dat hij gezegd heeft: Jullie zullen mij zoeken en niet vinden, en waar ik ben, kunnen jullie niet komen?”

Op de laatste, de grote dag van het feest stond Jezus daar, en hij riep: “Als iemand dorst heeft, laat hij bij mij komen en drinken. Wie op mij vertrouwt, zoals de Schrift gezegd heeft: rivieren van levend water zullen uit zijn binnenste stromen.” Dit zei hij over de Geest, die zij zouden ontvangen die op hem vertrouwden; de Geest was er namelijk nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was.

Sommigen uit de menigte die deze woorden hoorden, zeiden dan: “Dit is werkelijk de profeet.” Anderen zeiden: “Dit is de Gezalfde.” Maar weer anderen zeiden: “De Gezalfde komt toch niet uit Galilea? Heeft de Schrift niet gezegd dat de Gezalfde uit het nageslacht van David komt, en uit Betlehem, het dorp waar David was?” Zo ontstond er om hem een scheuring in de menigte. Sommigen van hen wilden hem grijpen, maar niemand sloeg de handen aan hem. De gerechtsdienaars kwamen dan terug bij de hogepriesters en farizeeën, en die zeiden tegen hen: “Waarom hebben jullie hem niet meegebracht?” De gerechtsdienaars antwoordden: “Nog nooit heeft een mens zo gesproken.” De farizeeën antwoordden hun dan: “Zijn ook jullie soms misleid? Heeft soms iemand van de leiders op hem vertrouwd, of iemand van de farizeeën? Maar die menigte daar, die de wet niet kent, vervloekt zijn zij!” Nikodemus, die eerder naar hem toe was gegaan en een van hen was, zegt tegen hen: “Veroordeelt onze wet een mens soms zonder eerst van hemzelf te horen en te weten wat hij doet?” Zij antwoordden hem: “Kom jij soms ook uit Galilea? Onderzoek het maar en zie: uit Galilea staat geen profeet op.”

Daarna ging ieder naar zijn eigen huis.

← Johannes 6Johannes 8 →