Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Job 31

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Met mijn ogen ben ik een verbintenis aangegaan;
hoe zou ik dan begerig naar een jong meisje kijken?

Want welk aandeel zou God van omhoog mij anders toebedelen, welke erfenis de Almachtige uit den hoge?

Wacht de ondergang niet op wie onrecht bedrijft, en de rampspoed op wie kwaad uitricht?

Neemt hij mijn wegen dan niet waar, en houdt hij niet de telling bij van al mijn passen?

Ben ik ooit met leugentaal opgetrokken, en heeft mijn voet zich naar bedrog gehaast,

laat God mij dan afwegen op een zuivere balans, dan zal hij mijn onkreukbaarheid vaststellen.

Zijn mijn schreden van het rechte spoor geweken, is mijn hart mijn ogen achternagelopen, of kleeft er aan mijn handen een vlek,

laat dan een ander verorberen wat ík heb gezaaid, en laat mijn gewas met wortel en al worden uitgetrokken.

Heeft mijn hart zich om een vrouw laten verleiden, en heb ik bij de deur van mijn naaste op de loer gelegen,

laat mijn vrouw dan voor een ander het koren malen, en laten anderen zich over haar buigen.

Dat zou immers een schanddaad wezen, een vergrijp dat voor de rechter thuishoort;

het is een vuur dat tot in de afgrond verteert, en heel mijn opbrengst zou het met wortel en al wegbranden.

Heb ik het recht van mijn knecht of van mijn dienstmeid genegeerd toen zij een geschil met mij hadden,

wat moet ik dan beginnen wanneer God zich opricht, en wat hem antwoorden zodra hij mij ter verantwoording roept?

Heeft hij die mij in de moederbuik boetseerde, ook hén niet gemaakt, en heeft niet één en dezelfde ons in de schoot gevormd?

Heb ik de behoeftigen onthouden wat zij verlangden, of de ogen van de weduwe laten wegkwijnen,

heb ik mijn stuk brood voor mijzelf alleen opgegeten, zonder dat het weeskind ervan meeat,

terwijl hij van mijn jeugd af bij mij opgroeide als bij een vader, en ik haar sinds mijn geboorte heb begeleid,

zag ik iemand omkomen bij gebrek aan kleding, of een arme zonder iets om zich te bedekken,

en hebben zijn lendenen mij niet gezegend toen hij zich warmde aan de wol van mijn schapen,

heb ik mijn hand tegen een weeskind opgeheven omdat ik in de poort steun voor mij zag zitten,

laat dan mijn schouder uit zijn kom losschieten en mijn arm uit het gewricht breken.

Want de ondergang die van God komt joeg mij schrik aan, en tegen zijn majesteit was ik niet opgewassen.

Heb ik goud tot mijn houvast gemaakt, of tegen het gelouterde goud gezegd: “Jij bent mijn zekerheid,”

verheugde ik mij dat mijn vermogen zo aanzienlijk was en dat mijn hand zoveel bijeenbracht,

wierp ik een blik op het zonlicht wanneer het schitterde, of op de maan die in luister haar baan trok,

en liet mijn hart zich heimelijk verlokken, zodat mijn hand hun een kus toewierp,

ook dát zou een vergrijp zijn dat voor de rechter komt, want dan had ik God daarboven verloochend.

Verheugde ik mij over de val van wie mij haatte, of juichte ik toen het onheil hem trof,

nee, ik heb mijn mond niet tot zonde laten vervallen door met een verwensing zijn dood af te smeken,

hebben de huisgenoten van mijn tent soms niet erkend: “Wie heeft zich niet aan zijn vlees kunnen verzadigen?”

Nooit hoefde de vreemdeling buiten de nacht door te brengen;
mijn deuren zette ik open voor wie onderweg was.

Heb ik mijn overtredingen verhuld zoals de mensen dat doen, en mijn schuld weggeborgen diep in mijn binnenste,

uit vrees voor de grote massa, en omdat de minachting van de geslachten mij afschrikte, zodat ik zweeg en de deur niet meer uitkwam?

Ach, was er toch maar iemand die naar mij luisterde! Hier staat mijn ondertekening;
laat de Almachtige mij van antwoord dienen, en had mijn aanklager zijn beschuldiging maar op schrift gezet!

Inderdaad, op mijn schouder zou ik die ronddragen, ik zou haar als een erekrans om mij binden.

Van al mijn schreden zou ik hem rekenschap afleggen;
als een vorst zou ik hem tegemoet schrijden.

Heeft mijn bouwland tegen mij om hulp geroepen, en hebben zijn voren gezamenlijk geweend,

heb ik zijn opbrengst zonder vergoeding opgegeten en zijn eigenaars het leven ontnomen,

laat er dan doornstruiken opschieten waar tarwe hoorde, en onkruid waar gerst had moeten staan. Hiermee eindigen de woorden van Job.

← Job 30Job 32 →