Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Job 30

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Maar nu drijven zij de spot met mij, kerels die minder jaren tellen dan ik, mannen wier vaders ik te gering vond om ze zelfs bij de honden van mijn kudde te plaatsen.

En wat had ik gehad aan de kracht van hun handen, nu heel hun levenssap was uitgedroogd?

Door gebrek en uithongering tot op het bot vermagerd, knabbelden zij aan het uitgedroogde land, in de donkere woestenij van puin en verlatenheid.

Zoutkruid plukten zij van de struiken, en de wortels van de bremstruik dienden hun tot voedsel.

Uit het midden van de gemeenschap werden zij verjaagd;
men joelde hen na alsof zij dieven waren.

In de spleten van de ravijnen moesten zij huizen, in holen van aarde en tussen de rotsen.

Van tussen de struiken klonk hun gebalk, en onder de netels drongen zij samen.

Dwazenbroed, ja, gespuis zonder naam, met zweepslagen het land uit gejaagd.

En uitgerekend nu ben ik hun spotlied geworden, een gevleugeld woord waarmee zij mij honen.

Vol walging houden zij zich op een afstand van mij, en zij deinzen er niet voor terug mij in het gezicht te spuwen.

Want mijn koord heeft hij losgeknoopt en mij vernederd, en daarom hebben zij tegenover mij elke terughoudendheid van zich afgeworpen.

Aan mijn rechterzijde verheft zich het gebroed;
zij lichten mijn voeten weg en werpen tegen mij hun onheilsdammen op.

Mijn pad rijten zij open, aan mijn ondergang verlenen zij hun medewerking, en er is niemand die hen weerhoudt.

Als door een gapende bres komen zij binnendringen, en te midden van het puin komen zij aanrollen.

De verschrikkingen keren zich tegen mij;
als door de wind wordt mijn waardigheid weggevaagd, en mijn voorspoed drijft weg als een wolk.

En nu stort mijn ziel zich binnen in mij uit, en dagen van ellende houden mij in hun greep.

Bij nacht doorboort de pijn mijn gebeente, en het knagen dat aan mij vreet vindt geen rust.

Met alle macht grijpt hij mij bij mijn gewaad, en het knelt mij als de halsopening van mijn hemd.

In het slijk heeft hij mij neergesmeten, en ik ben aan stof en as gelijk geworden.

Ik schreeuw naar jou om bijstand, maar jij geeft geen antwoord;
ik sta voor je, en jij blijft mij enkel aanstaren.

Meedogenloos ben je jegens mij geworden;
met de volle kracht van je hand ga je mij te lijf.

Je heft mij op naar de wind en laat mij erop wegrijden, en in het gebulder van de storm laat je mij oplossen.

Ja, ik weet dat je mij naar de dood zult voeren, naar het verzamelhuis van al wat leeft.

Toch grijpt niemand naar de hand van een ineengestorte, ook al roept hij in zijn ondergang om hulp.

Heb ik dan niet gehuild om wie het zwaar te verduren had? Trok mijn ziel zich het lot van de arme niet aan?

Maar terwijl ik het goede tegemoetzag, kwam het kwaad, en waar ik op licht hoopte, brak de duisternis aan.

Mijn ingewanden staan te koken en komen niet tot bedaren;
dagen van kwelling zijn mij tegemoet getreden.

Verdonkerd loop ik rond, en niet door de zon;
midden in de vergadering sta ik op en roep om hulp.

Een broer van de jakhalzen ben ik geworden, en een makker van de struisvogels.

Mijn huid is zwart geworden en bladdert van mij af, en mijn gebeente gloeit van de koorts.

Mijn citer is tot een treurzang verstomd, en mijn fluit tot het geluid van wie wenen.

← Job 29Job 31 →