Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jesaja 29

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Wee jou, Ariël, Ariël, de stad waar David ooit zijn legerkamp opsloeg! Laat het ene jaar maar op het andere volgen en de feesten hun jaarkring maar afmaken. Toch zal ik Ariël in het nauw drijven; er zal gejammer en geweeklaag klinken, en zij zal voor mij worden als een offervuur op het altaar. Rondom jou zal ik mijn kamp opslaan, je met een ring van wachtposten omsingelen en verschansingen tegen je oprichten. Diep vernederd zul je vanuit de grond spreken, en gedempt zullen je woorden uit het stof opklinken; als de stem van een geest uit de aarde zal je stem zijn, je spreken niet meer dan een gefluister uit het stof.

Maar de drom van je aanvallers zal uiteenstuiven als fijn stof en de horde geweldenaars als kaf dat wegwaait. En dan, in één enkel ogenblik, zal het onverwachts gebeuren: door de HEER van de hemelse legermachten zul je bezocht worden met donderslagen, aardbevingen en oorverdovend gedreun, met stormwind en wervelstorm en de vlammen van een verterend vuur. Als een droom, een visioen in de nacht, zo vergaat het de talloze volken die Ariël de oorlog aandoen, allen die haar met haar bolwerk bestormen en haar benauwen. Zoals een hongerige droomt dat hij eet maar wakker wordt met een lege maag, en een dorstige droomt dat hij drinkt maar uitgeput en nog steeds smachtend ontwaakt, zo zal het de talloze volken vergaan die tegen de berg Sion oprukken.

Sta maar verstijfd van verbazing, verblind jezelf tot je niets meer ziet! Dronken zijn ze, maar niet van de wijn, waggelend, maar niet door de sterkedrank. Want de HEER heeft een geest van diepe verdoving over jullie uitgestort; hij heeft jullie ogen, dat zijn de profeten, gesloten gehouden en jullie hoofden, dat zijn de zieners, toegedekt. Heel dit visioen is voor jullie geworden als de tekst van een dichtgezegeld boek. Reikt men het aan iemand die kan lezen met het verzoek “lees dit toch voor”, dan antwoordt hij: “Dat gaat niet, het boek is verzegeld.” Geeft men het boek daarentegen aan wie niet kan lezen, met hetzelfde verzoek “lees dit toch voor”, dan luidt het antwoord: “Ik ben helemaal niet in staat te lezen.”

De Heer zegt: Dit volk komt naar mij toe met de mond en betoont mij eer met de lippen, maar hun hart houdt zich ver van mij, en het ontzag dat zij voor mij hebben is niet meer dan een van buiten geleerd mensengebod. Daarom zal ik opnieuw wonderlijk met dit volk omgaan, het ene wonder na het andere; de wijsheid van zijn wijzen zal tenietgaan en het inzicht van zijn verstandigen zal zich verschuilen.

Wee hen die hun plannen diep voor de HEER verborgen houden, die hun daden in het donker bedrijven en denken: “Wie krijgt ons in het oog, wie is van ons op de hoogte?” Wat een averechtse redenering van jullie! Mag de pottenbakker soms met de klei op één lijn worden gezet? Kan een baksel over zijn maker zeggen: “Hij heeft mij niet gemaakt”, of een boetseersel over wie het boetseerde: “Hij begrijpt er niets van”?

Duurt het niet nog maar heel even, of de Libanon wordt tot een boomgaard omgevormd en de boomgaard telt dan als een woud? Op die dag zullen de doven horen wat er in een boek staat, en zullen de ogen van de blinden, bevrijd uit donker en duisternis, weer zien. De zachtmoedigen zullen opnieuw vreugde vinden in de HEER, en de allerarmsten onder de mensen zullen jubelen dankzij Israëls Heilige. Want dan is het met de geweldenaar gedaan, is de spotter verdwenen en zijn allen uitgeroeid die op onrecht azen: zij die iemand met een enkel woord tot misdadiger bestempelen, die de rechter in de poort een valstrik zetten en met een verzonnen aanklacht de onschuldige zijn recht afnemen.

Daarom zegt de HEER, die Abraham heeft vrijgekocht, tot het huis van Jakob dit: Voortaan hoeft Jakob niet meer beschaamd te staan en zal zijn gezicht niet langer wit wegtrekken. Want wanneer hij te midden van zijn volk zijn kinderen ziet, het werk van mijn handen, dan zullen zij mijn naam heilig houden; de Heilige van Jakob zullen zij als heilig erkennen en voor Israëls God ontzag koesteren. Wie in hun geest de weg kwijt zijn, zullen tot inzicht komen, en wie steeds mopperen, zullen zich laten gezeggen.

← Jesaja 28Jesaja 30 →