Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jesaja 11

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Uit de afgehakte stam van Isaï zal een twijg ontspruiten, en een scheut die uit zijn wortels opkomt zal vrucht gaan dragen. De Geest van de HEER zal op hem neerdalen en blijven: een Geest van wijsheid en verstand, een Geest van goede raad en kracht, een Geest van kennis en van ontzag voor de HEER. Zijn behagen zal liggen in het ontzag voor de HEER. Niet op grond van wat zijn ogen waarnemen zal hij oordelen, en niet op grond van wat zijn oren opvangen zal hij vonnis vellen. Rechtvaardig zal hij de geringen recht verschaffen en eerlijk uitspraak doen ten gunste van de zachtmoedigen in het land. Het land zal hij treffen met de gard van zijn mond en de schuldige doden met de adem van zijn lippen. Gerechtigheid zal de gordel om zijn middel zijn en trouw de band om zijn heupen.

Bij het lam zal de wolf zijn intrek nemen en naast het bokje zal de panter zich vlijen; kalf, jonge leeuw en gemest vee grazen dan bijeen, gehoed door een kleine jongen. De koe en de berin zullen samen grazen en hun jongen bij elkaar liggen, en de leeuw zal net als het rund stro eten. Boven het cobrahol zal de zuigeling spelen, en naar het adderennest zal het net gespeende kind zijn handje uitsteken. Nergens op heel mijn heilige berg zal nog kwaad of verderf worden aangericht, want kennis van de HEER zal de aarde vervullen zoals de wateren de bodem van de zee bedekken.

Wanneer die dag aanbreekt, zal de wortel van Isaï zich verheffen als een vaandel voor de volken; de naties zullen naar hem op zoek gaan, en de plaats van zijn rust zal vol glorie zijn. Wanneer die dag komt, zal de Heer opnieuw, voor de tweede keer, zijn hand uitstrekken om wat er van zijn volk resteert terug te kopen, allen die zijn achtergebleven in Assyrië en Egypte, in Patros, Kus en Elam, in Sinear, Hamat en de kustlanden van de zee. Voor de volken zal hij een vaandel omhoogheffen; de verdrevenen van Israël zal hij samenbrengen en de verstrooiden van Juda bijeenhalen uit de vier windstreken van de aarde. De afgunst van Efraïm zal wegebben en wie Juda belaagden worden uitgeroeid; Efraïm zal niet langer jaloers zijn op Juda, en Juda zal Efraïm niet meer naar het leven staan. Zij zullen westwaarts neerstrijken op de berghelling van de Filistijnen en samen de volken van het oosten leegplunderen; op Edom en Moab zullen zij de hand leggen en de Ammonieten aan zich onderwerpen. De HEER zal de golf van de Egyptische zee met de ban slaan; met een verschroeiende adem zwaait hij zijn hand over de Rivier en deelt haar op in zeven stroompjes, zodat men er op sandalen doorheen loopt. Er zal een heerbaan liggen voor het overblijfsel van zijn volk dat uit Assyrië gespaard bleef, precies zoals Israël er een had op de dag dat het wegtrok uit Egypte.

← Jesaja 10Jesaja 12 →