Hoofdstuk
Jesaja 10
Wee hen die schadelijke verordeningen uitvaardigen en de schrijvers die onrecht op papier zetten, met de bedoeling de zwakken hun recht te onthouden en de armen van mijn volk van hun rechten te beroven, om weduwen als buit in te palmen en wezen kaal te plukken. Wat gaan jullie doen op de dag van de vergelding, wanneer de verwoesting van heinde en ver komt aanzetten? Bij wie zoeken jullie dan hulp, en waar bergen jullie je rijkdom? Er blijft niets anders over dan neer te hurken bij de gevangenen of om te komen bij de gesneuvelden. Bij dit alles bekoelt zijn toorn niet, nog altijd is zijn hand uitgestrekt.
Wee Assur, de knuppel van mijn woede; de stok in zijn hand is mijn toorn in eigen persoon. Ik stuur hem af op een goddeloos volk en geef hem opdracht tegen de natie waarop ik razend ben, om te roven en te plunderen en het als straatvuil te vertrappen. Maar zo ziet hij het zelf niet en zo redeneert zijn hart niet; nee, hij is uit op vernietiging en op het uitroeien van niet weinig volken. Hij zegt immers: “Zijn mijn legeraanvoerders niet stuk voor stuk koningen? Is het Kalno niet vergaan als Karkemis, Hamat als Arpad en Samaria als Damascus? Zoals mijn hand de rijken van de afgoden heeft gegrepen, met beelden die talrijker waren dan die van Jeruzalem en Samaria, zou ik dan met Jeruzalem en zijn godenbeelden niet hetzelfde doen als ik met Samaria en zijn afgoden heb gedaan?”
Maar wanneer de Heer alles wat hij aan de Sionsberg en aan Jeruzalem te doen had heeft voltooid, zal hij de koning van Assur ter verantwoording roepen om zijn opgeblazen hoogmoed en om de trots in zijn arrogante blik. Want hij zegt: “Op eigen kracht heb ik dit klaargespeeld, en dankzij mijn inzicht, want verstandig ben ik. Volken heb ik hun grenzen ontnomen, hun opgeslagen schatten buitgemaakt en als een geweldenaar de heersers van hun troon gestoten. Als in een vogelnest heeft mijn hand naar de rijkdom van de volken gegrepen; zoals men verlaten eieren opraapt, zo heb ik de hele aarde bijeengeharkt, zonder dat er één met zijn vleugel klapte, zijn snavel opende of piepte.” Beroemt een bijl zich soms tegenover degene die ermee hakt? Doet een zaag zich groter voor dan wie haar hanteert? Alsof een knuppel degene die hem opheft heen en weer zwaait, alsof een stok optilt wie toch geen stuk hout is! Daarom zal de soevereine HEER van de hemelse legermachten een uitmergelende ziekte sturen onder zijn weldoorvoede mannen, en onder zijn pracht een brand ontsteken die oplaait als een vuurzee. Het licht van Israël zal een vuur worden en zijn Heilige een vlam, die op een enkele dag het distel- en doorngewas in de as legt. De luister van zijn bos en zijn boomgaard zal hij met huid en haar tenietdoen; het zal zijn als een zieke die langzaam wegkwijnt. Wat er van de bomen in zijn bos overblijft, is zó gering dat een kind ze kan optellen en opschrijven.
Op die dag zal wat er van Israël rest, wie van Jakobs huis is ontkomen, niet meer leunen op wie hen sloeg, maar zich oprecht toevertrouwen aan de HEER, de Heilige van Israël. Een overblijfsel keert terug, het overblijfsel van Jakob, naar de machtige God. Want al was jouw volk, Israël, zo talrijk als het zand aan de zee, toch keert er maar een rest van terug. Een vernietiging staat onherroepelijk vast en spoelt met gerechtigheid over het land. Ja, de soevereine HEER van de hemelse legermachten zal midden in het hele land een onherroepelijke vernietiging voltrekken.
Daarom klinkt het woord van de soevereine HEER van de hemelse legermachten: Wees niet bang, mijn volk dat op de Sion woont, voor Assur, dat je met de knuppel slaat en zijn stok tegen je opheft zoals Egypte dat eens deed. Want nog heel even, en mijn woede is uitgewoed, en dan richt mijn toorn zich op hun ondergang. De HEER van de hemelse legermachten zal de gesel tegen hem opheffen, zoals bij de nederlaag van Midjan bij de Orebrots; en zijn staf, die zal hij over de zee uitstrekken en opheffen zoals hij destijds tegen Egypte deed. Op die dag zal zijn last van je schouder glijden en zijn juk van je nek, en het juk zal openbarsten door je aangroeiende kracht.
Hij komt op Ajjat af, trekt door Migron heen en laat bij Michmas zijn tros achter. Zij steken de bergpas over: “In Geba slaan wij ons nachtkwartier op.” Rama beeft van angst en Gibea van Saul slaat op de vlucht. Schreeuw het uit, dochter van Gallim! Spits je oren, Laïs! Beklagenswaardig Anatot! Madmena is op de vlucht en de bewoners van Gebim zoeken een goed heenkomen. Nog vandaag houdt hij bij Nob halt; hij schudt dreigend zijn vuist naar de berg van Sions dochter, naar de heuvel van Jeruzalem. Zie, de soevereine HEER van de hemelse legermachten kapt met huiveringwekkende kracht de boomkruinen af; de allerhoogste stammen worden geveld en de rijzigste omvergehaald. Het dichte kreupelhout van het bos valt onder de bijl, en de Libanon komt ten val door de hand van een Machtige.