Hoofdstuk
Jeremia 23
Wee de herders door wie de schapen van mijn weiland verloren raken en uiteengedreven worden, luidt de uitspraak van de HEER. Daarom klinkt het zo van de HEER, de God van Israël, tegen de herders die mijn volk hoeden: jullie hebben mijn schapen verjaagd en verspreid en geen zorg voor hen gehad. Let op, ik ga jullie ter verantwoording roepen voor het kwaad dat jullie deden, luidt de uitspraak van de HEER. Zelf zal ik het overblijfsel van mijn kudde verzamelen uit alle streken waarheen ik hen verdreven heb, en ik breng hen terug naar hun weidegrond, waar ze vruchtbaar zullen zijn en in aantal toenemen. Ik stel herders over hen aan die hen zullen hoeden; angst of schrik kennen zij niet langer en niet één van hen zal nog worden vermist, luidt de uitspraak van de HEER.
Let op, de tijd breekt aan, luidt de uitspraak van de HEER, dat ik uit Davids geslacht een rechtvaardige loot laat ontspruiten; hij zal als koning regeren met wijs beleid en recht en gerechtigheid in het land laten heersen. In zijn tijd wordt Juda verlost en woont Israël in veiligheid. En de naam waarmee men hem aanduidt luidt: De HEER is onze gerechtigheid.
Daarom, let op, de tijd breekt aan, luidt de uitspraak van de HEER, dat men niet langer zal zweren: “Zo waar de HEER leeft, die de Israëlieten uit Egypte heeft weggeleid,” maar: “Zo waar de HEER leeft, die de nakomelingen van Israël heeft opgevoerd en teruggehaald uit het noorderland en uit alle streken waarheen hij hen verbannen had.” En dan zullen ze op hun eigen bodem wonen.
Over de profeten. Vanbinnen is mijn hart gebroken, heel mijn gebeente siddert; ik ben als een beschonkene, als iemand die de wijn te machtig is geworden, om de HEER en om zijn heilige woorden. Want overspelers bevolken het land; onder de vloek treurt het land en drogen de weidevelden in de steppe uit. De koers die zij varen is verkeerd en hun kracht zetten zij oneerlijk in. Zowel profeet als priester leven zonder ontzag voor God; zelfs binnen mijn eigen tempel heb ik hun boosheid aangetroffen, luidt de uitspraak van de HEER. Daarom verandert hun pad in een spekgladde helling in het donker: ze worden voortgeduwd en storten daarop neer. Want ik laat rampspoed op hen neerkomen in het jaar dat ik met hen afreken, luidt de uitspraak van de HEER.
Bij de profeten van Samaria stuitte ik op iets stuitends: in naam van de Baäl profeteerden zij en zo voerden zij mijn volk Israël de dwaalweg op. Maar bij de profeten van Jeruzalem trof ik iets huiveringwekkends aan: overspel en een wandel vol bedrog; ze verstevigen de greep van kwaaddoeners zodat niemand het kwade de rug toekeert. Voor mij zijn ze stuk voor stuk als Sodom en haar bevolking als Gomorra. Daarom zegt de HEER van de hemelse legermachten dit over de profeten: kijk, ik zet hun alsem voor en geef hun vergiftigd water, want vanuit de profeten van Jeruzalem heeft de goddeloosheid zich over heel het land verbreid.
Zo klinkt de HEER van de hemelse legermachten: hecht geen geloof aan wat de profeten die tot jullie profeteren verkondigen; met loze verwachtingen misleiden zij jullie. Wat zij als visioen aandragen ontspringt aan hun eigen verbeelding en komt niet uit de mond van de HEER. Aan wie mij minachten houden zij telkens voor: “De HEER heeft verklaard dat jullie vrede zullen kennen.” En tegen ieder die zijn koppige hart achternaloopt zeggen ze: “Onheil zal jullie bespaard blijven.” Maar wie heeft er in de vergadering van de HEER gestaan, hem gezien en zijn woord opgevangen? Wie heeft er acht op zijn woord geslagen en het werkelijk gehoord? Kijk, een stormwind van de HEER, laaiende woede, komt opzetten, een wervelwind die ronddraait; over de hoofden van de goddelozen breekt hij los. De woede van de HEER zal niet bedaren voordat hij tot uitvoering heeft gebracht wat hij in zijn hart voornam. In de dagen die komen zullen jullie dat volledig doorzien. Ik heb die profeten niet uitgezonden, en toch snelden ze voort; ik heb niet tot hen gesproken, en toch traden ze als profeet op. Hadden zij in mijn vergadering gestaan, dan zouden ze mijn woorden aan mijn volk hebben verkondigd en hen van hun verkeerde koers en boze praktijken hebben doen omkeren.
Ben ik soms enkel een God die dichtbij is, luidt de uitspraak van de HEER, en niet evengoed een God die veraf is? Kan iemand zich in een schuilplaats wegstoppen zonder dat ik hem opmerk?, luidt de uitspraak van de HEER. Vul ik niet zowel de hemel als de aarde?, luidt de uitspraak van de HEER.
Ik heb gehoord wat de profeten uitkramen die in mijn naam bedrog verkondigen en roepen: “Ik heb een droom gehad, ik heb een droom gehad!” Hoe lang gaat dit nog door? Zit dat in het hoofd van de profeten die leugens verkondigen, die het bedrog van hun eigen brein profeteren, die erop uit zijn mijn volk mijn naam te doen vergeten met de dromen die ze onderling rondvertellen, zoals ook hun voorouders mijn naam vergaten door de Baäl? Laat de profeet die een droom kreeg zijn droom maar navertellen; maar wie mijn woord ontving, laat die mijn woord naar waarheid overbrengen. Wat hebben stro en koren met elkaar te maken?, luidt de uitspraak van de HEER. Is mijn woord niet als een laaiend vuur, luidt de uitspraak van de HEER, en als een moker die de rots aan gruzelementen slaat? Daarom, let op, ik keer mij tegen de profeten, luidt de uitspraak van de HEER, die mijn woorden van elkaar ontfutselen. Let op, ik keer mij tegen de profeten, luidt de uitspraak van de HEER, die hun eigen tong laten roeren en dan uitroepen: “Zo luidt de godsspraak.” Let op, ik keer mij tegen wie bedrieglijke dromen profeteren, luidt de uitspraak van de HEER; ze dissen ze op en misleiden mijn volk met hun leugens en hun opschepperij. Ik heb hen niet gezonden en geen opdracht gegeven, en voor dit volk zijn ze van geen enkel nut, luidt de uitspraak van de HEER.
Stelt iemand uit dit volk, of een profeet, of een priester je de vraag welke last de HEER oplegt, geef hun dan ten antwoord: jullie zíjn die last, en ik zal jullie van mij afgooien, luidt de uitspraak van de HEER. En de profeet, de priester of iemand uit het volk die roept: “De godsspraak van de HEER!”, met die persoon reken ik af, samen met heel zijn huishouden. Onderling, tegenover elkaar en tegenover je broer, hoor je zo te spreken: “Welk antwoord gaf de HEER?” en: “Wat verklaarde de HEER?” Maar de uitdrukking “godsspraak van de HEER” mag niet langer over jullie lippen komen, want ieders eigen woord zal hem tot last worden; jullie draaien immers de woorden van de levende God om, van de HEER van de hemelse legermachten, onze God. Zo moet je de profeet ondervragen: “Wat heeft de HEER je geantwoord?” en: “Wat heeft de HEER gezegd?” Maar blijven jullie zeggen: “De godsspraak van de HEER!”, dan spreekt de HEER als volgt: omdat jullie deze woorden gebruiken, “de godsspraak van de HEER”, terwijl ik jullie liet weten dat je niet mag zeggen: “De godsspraak van de HEER”, daarom, let op, til ik jullie volledig op en slinger ik jullie van mij weg, samen met de stad die ik aan jullie en aan jullie voorouders heb geschonken; en ik leg een eeuwigdurende schande en een blijvende smaad op jullie die nooit in vergetelheid zal raken.