Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Hosea 2

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Zeg tegen je broers: “Ammi, mijn volk,” en tegen je zusters: “Ruchama, ontferming.” Voer een klacht tegen jullie moeder, ja, daag haar voor het gerecht: zij is immers mijn vrouw niet, en haar man ben ik niet. Laat zij de ontucht uit haar gelaat bannen en het overspel van tussen haar borsten, anders ontkleed ik haar tot op de huid en stel haar naakt tentoon als op haar geboortedag; ik maak van haar een woestijn, verander haar in dor land en laat haar van dorst omkomen. Ook over haar kinderen ontferm ik mij niet, want kinderen van ontucht zijn het. Ontucht pleegde hun moeder, schande bracht zij die hen droeg over zichzelf. Zij zei immers: “Ik loop mijn minnaars achterna, die mij brood en water geven, wol en vlas, olie en drank.” Daarom, zie, verspers ik haar weg met doornstruiken en richt een muur tegen haar op, zodat zij haar paden niet meer terugvindt. Zij zal haar minnaars najagen zonder hen te bereiken, hen zoeken zonder hen te vinden. Dan zegt zij: “Ik keer terug naar mijn eerste man, want toen verging het mij beter dan nu.”

Zij besefte niet dat ík het was die haar het koren, de nieuwe wijn en de olie schonk, die haar zilver in overvloed gaf en het goud dat zij voor Baäl aanwendden. Daarom kom ik terug en neem mijn koren terug op zijn tijd en mijn nieuwe wijn in zijn seizoen; ik ontruk haar de wol en het vlas waarmee zij haar naaktheid moest bedekken. Nu ontbloot ik haar schaamte voor de ogen van haar minnaars, en niemand ontrukt haar aan mijn greep. Aan al haar vrolijkheid maak ik een einde: aan haar feesten, haar nieuwemaan, haar sabbat, aan al haar hoogtijden. Haar wijnstok en haar vijgenboom leg ik in puin, waarvan zij zei: “Dit is het loon dat mijn minnaars mij gaven.” Tot struikgewas maak ik ze, en het wild van het veld zal ze afvreten. Ik reken met haar af voor de dagen van de Baäls, waarop zij hun offers ontstak, zich met ring en kleinood tooide en haar minnaars achternaliep, mij echter vergat, zegt de HEER.

Daarom, zie, ga ik haar verleiden: ik voer haar de woestijn in en spreek tot haar hart. Vandaar geef ik haar haar wijngaarden weer en maak ik het dal van Achor tot een poort van hoop. Daar zal zij antwoorden als in haar jeugd, als op de dag dat zij uit Egypte optrok. Op die dag, zegt de HEER, zul je mij mijn man noemen en niet langer mijn Baäl. De namen van de Baäls verwijder ik uit haar mond; nooit meer worden zij bij hun naam vermeld.

Op die dag sluit ik ten behoeve van hen een verbond met de dieren van het veld, met het gevogelte van de hemel en het kruipend gedierte van de grond; en boog, zwaard en krijg zal ik uit het land wegbreken, zodat ik hen onbezorgd kan laten rusten. Ik verloof je aan mij voor eeuwig; ik verloof je aan mij in gerechtigheid en recht, in liefde en erbarmen. Ik verloof je aan mij in trouw, en jij zult de HEER kennen. Op die dag zal ik verhoren, zegt de HEER: ik verhoor de hemel, en die verhoort de aarde; de aarde verhoort het koren, de nieuwe wijn en de olie, en die verhoren Jizreël. Ik zaai haar voor mijzelf in het land uit, ontferm mij over Lo-Ruchama en spreek tot Lo-Ammi: “Mijn volk ben jij”; waarop hij antwoordt: “U bent mijn God!”

← Hosea 1Hosea 3 →