Hoofdstuk
Filippenzen 2
Als de verbondenheid met de Gezalfde jullie iets zegt, als zijn liefde jullie bemoedigt, als er saamhorigheid is door de Geest, als er ergens genegenheid en medeleven bestaat, maak dan mijn vreugde compleet door op één lijn te zitten: koester dezelfde liefde, wees één van hart en gericht op hetzelfde doel. Handel nooit uit rivaliteit of uit een verlangen naar lege roem; beschouw juist, in nederigheid, de ander als meer dan jezelf. Laat niemand alleen zijn eigen belang voor ogen houden, maar oog hebben voor dat van de ander.
Laat onder jullie dezelfde instelling leven die ook in de Gezalfde Jezus aanwezig was: hij die de gestalte van God bezat, heeft het gelijk-zijn aan God niet als een buit willen vasthouden, maar heeft zichzelf leeggemaakt. Hij nam het bestaan van een slaaf aan en werd een mens onder de mensen1. En toen hij als mens herkenbaar was, heeft hij zich verlaagd en werd gehoorzaam tot het uiterste, tot in de dood, ja, de dood aan een kruis. Daarom heeft God hem uitermate hoog verheven en hem de naam geschonken die boven elke andere naam uitgaat, zodat bij het klinken van de naam Jezus elke knie zich buigt, in de hemel, op de aarde en in de onderwereld, en elke tong openlijk erkent: Jezus de Gezalfde is Heer, tot glorie van God de Vader.
Daarom, mijn geliefden, blijf gehoorzaam zoals je altijd was. Werk aan je eigen redding, met ontzag en beven, en doe dat niet alleen wanneer ik aanwezig ben maar des te meer nu ik ver weg ben, want het is God die in jullie het willen én het doen bewerkt, zoals het hem goeddunkt. Doe alles zonder gemopper en zonder gekibbel. Dan zijn jullie vlekkeloos en onbedorven, smetteloze kinderen van God binnen een ontaarde en ontwrichte generatie, waarin jullie oplichten als sterren aan de hemel doordat jullie vasthouden aan het woord dat leven geeft. Dan mag ik er op de dag van de Gezalfde trots op zijn dat ik niet vergeefs heb gelopen en niet vergeefs heb gezwoegd. En zelfs als ik word geplengd bij de offerdienst die jullie geloof is, dan nog verheug ik mij, samen met jullie allen. Wees daarom ook zelf verheugd en verheug je met mij.
Mijn hoop is, als de Heer Jezus het toestaat, om Timoteüs binnenkort naar jullie te sturen; ook ikzelf kom dan weer op adem als ik hoor hoe het met jullie gaat. Ik heb verder niemand die zo eensgezind met mij is en zich zo oprecht om jullie welzijn bekommert. De anderen zijn allemaal op hun eigen belang uit, niet op dat van Jezus de Gezalfde. Hoe betrouwbaar hij is, weten jullie zelf: als een zoon die zijn vader helpt, heeft hij zich naast mij ingezet voor het evangelie. Zodra ik overzie hoe het met mij verdergaat, hoop ik hem te sturen. En in de Heer vertrouw ik erop dat ik ook zelf spoedig zal komen. Intussen leek het me nodig Epafroditus naar jullie terug te sturen. Hij is mijn broeder, mijn collega en mijn medestrijder, en door jullie afgevaardigd om mij in mijn nood te dienen. Hij verlangde immers naar jullie allen en zat er zwaar mee dat jullie hadden gehoord dat hij ziek was. En hij is ook werkelijk ziek geweest, bijna dodelijk. Maar God was hem genadig, en niet hem alleen: ook mij, zodat mij niet verdriet boven op verdriet gelegd werd. Daarom stuur ik hem des te sneller, zodat jullie hem weerzien en blij worden en mijn eigen zorgen wat lichter worden. Verwelkom hem daarom van harte in de Heer, en heb waardering voor mensen als hij, want voor het werk van de Gezalfde is hij tot vlak bij de dood gegaan; hij heeft zijn leven gewaagd om te geven wat jullie mij zelf niet konden brengen.