Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Deuteronomium 11

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Heb dus de HEER, je God, lief en houd je alle dagen aan zijn verplichtingen: zijn bepalingen, wetten en geboden. Houd vandaag voor ogen dat niet je kinderen, maar jullie zelf de vermaning van de HEER, jullie God, hebben ondervonden en gezien: zijn grootheid, zijn krachtige hand en gestrekte arm, de tekenen en daden die hij midden in Egypte verrichtte aan de farao, Egyptes koning, en aan heel zijn land, en hoe hij afrekende met het Egyptische leger, zijn paarden en strijdwagens, door het water van de Rietzee over de achtervolgers heen te doen slaan, waarmee de HEER hen voorgoed vernietigde, en wat hij voor jullie deed in de woestijn tot jullie hier aankwamen, en wat hij Datan en Abiram aandeed, Eliabs zonen uit de stam Ruben, toen de grond zich midden in Israël opende en hen opslokte, met hun huishoudens, hun tenten en heel hun aanhang. Jullie hebben immers met eigen ogen alle grote daden gezien die de HEER heeft verricht.

Onderhoud daarom heel het gebod dat ik jullie vandaag opleg, zodat jullie sterk genoeg zijn om het land binnen te trekken en te bezitten waarheen jullie nu oversteken, en dat jullie lang mogen wonen op de grond die de HEER onder ede aan je voorouders en hun nakomelingen toezegde, een land overvloeiend van melk en honing. Want het land dat je gaat bezitten lijkt niet op Egypte, je herkomst, waar je je zaad zaaide en het als een moestuin met je voet moest bevloeien. Nee, het gebied dat jullie gaan bezitten kent bergen en dalen en lest zijn dorst met hemelwater. Het is een land waar de HEER, je God, zich persoonlijk om bekommert; het hele jaar door, van begin tot eind, blijft het oog van de HEER, je God, erop gericht. Geven jullie oprecht gehoor aan de geboden die ik je vandaag meegeef, door de HEER, jullie God, lief te hebben en hem met hart en ziel te dienen, dan geef ik jullie land op tijd regen, vroege en late regen, zodat je je koren, je most en je olie kunt binnenhalen. En op je akkers laat ik gras opkomen voor je vee, zodat je te eten hebt tot je verzadigd bent. Wees echter waakzaam dat je hart zich niet laat meeslepen, zodat je van de weg raakt, vreemde goden dient en je voor hen neerbuigt. Anders ontbrandt de toorn van de HEER tegen jullie: dan grendelt hij de hemel, valt er geen regen meer en levert de grond niets op, en zijn jullie spoedig verdwenen uit het goede land dat de HEER jullie geeft.

Leg deze woorden van mij daarom vast in je hart en je binnenste; knoop ze als een teken aan je hand en draag ze als een merk op je voorhoofd. Leer ze je kinderen door erover te spreken: als je thuis zit en als je onderweg bent, als je je te ruste legt en als je opstaat. Grif ze in de deurposten van je woning en op je stadspoorten, zodat jullie en je nageslacht lang mogen leven op de grond die de HEER je voorouders onder ede beloofde, zolang de hemel zich boven de aarde welft. Want als jullie heel dit gebod dat ik jullie opleg zorgvuldig naleven en ernaar handelen, door de HEER, jullie God, lief te hebben, al zijn wegen te gaan en je aan hem vast te houden, dan drijft de HEER al die volken voor jullie uit, en verover je naties die groter en sterker zijn dan jijzelf. Elke plek die je voet betreedt zal van jullie zijn: jullie gebied reikt van de woestijn tot de Libanon en van de Rivier, de Eufraat, tot aan de westelijke zee. Niemand houdt tegen jullie stand; overal waar je voet zet legt de HEER, jullie God, schrik en angst voor jullie, zoals hij jullie beloofd heeft.

Zie, vandaag leg ik jullie een zegen en een vloek voor: een zegen als jullie luisteren naar wat de HEER, jullie God, vandaag door mij gebiedt; een vloek als jullie de geboden van de HEER, jullie God, in de wind slaan, de weg verlaten die ik je vandaag aanwijs en onbekende goden achternalopen. En wanneer de HEER, je God, je heeft binnengebracht in het land dat je gaat bezitten, moet je de zegen uitspreken vanaf de berg Gerizim en de vloek vanaf de berg Ebal. Die liggen aan de overkant van de Jordaan, verderop richting het westen, in het gebied van de Kanaänieten in de Jordaanvlakte, tegenover Gilgal, bij de eik van Moré. Jullie staan namelijk op het punt de Jordaan te passeren om het land dat de HEER, jullie God, jullie schenkt, in bezit te nemen; en als jullie het eenmaal bewonen, zorg er dan voor dat jullie alle wetten en bepalingen naleven die ik jullie vandaag voorleg.

← Deuteronomium 10Deuteronomium 12 →