Hoofdstuk
2 Samuël 14
Joab, de zoon van Seruja, kreeg in de gaten dat het hart van de koning naar Absalom uitging. Daarom liet hij uit Tekoa een verstandige vrouw ontbieden: “Doe alsof je in de rouw bent. Hul je in rouwkleren, wrijf je niet met olie in en gedraag je als een vrouw die al dagenlang om een gestorvene treurt. Ga daarmee naar de koning en spreek hem toe met de woorden die ik je ingeef.” En Joab legde haar de woorden in de mond. Toen de vrouw uit Tekoa voor de koning verscheen, wierp zij zich voorover ter aarde, boog diep en riep: “Help mij toch, majesteit!” “Wat scheelt eraan?” vroeg de koning haar. “Ach,” antwoordde zij, “ik ben weduwe; mijn man is heengegaan. Uw dienares had twee zonen. Die raakten in het veld met elkaar slaags, en omdat niemand hen kon scheiden, sloeg de een de ander dood. Nu heeft heel mijn verwantschap zich tegen mij, uw dienares, gekeerd. ‘Geef ons de broedermoordenaar,’ zo eisen ze, ‘dan doden wij hem om het leven van de broer die hij vermoordde.’ Ook de erfgenaam willen ze zo uit de weg ruimen. Daarmee doven ze de laatste vonk die mij nog rest, en houdt mijn man op aarde geen naam en geen nageslacht meer over.” “Ga maar naar huis,” antwoordde de koning haar; “over jouw zaak zal ik een uitspraak doen.” Maar de vrouw uit Tekoa hernam: “Laat de schuld op mij en op mijn vaders huis rusten, mijn heer de koning; de koning en zijn troon treft geen blaam.” De koning antwoordde: “Valt iemand je lastig, breng hem dan bij mij, en hij zal je niet meer durven aanraken.” Zij hernam: “Laat de koning toch bij de HEER, uw God, zweren dat de bloedwreker geen nieuw onheil sticht en mijn zoon niet gedood wordt.” “Zo waar de HEER leeft,” verzekerde hij haar, “geen haar van je zoon zal ter aarde vallen.”
“Vergun uw dienares,” vroeg de vrouw toen, “mijn heer de koning nog iets voor te houden.” “Spreek,” zei hij. De vrouw sprak: “Waarom beraamt u dan iets dergelijks tegen het volk van God? Door dit vonnis bestempelt de koning immers zichzelf als schuldig, nu hij zijn eigen verstotene niet terughaalt. Sterven moeten wij allen; wij lijken op water dat, eenmaal op de aarde uitgegoten, niet meer valt te verzamelen. God echter neemt niemand het leven af; veeleer beraamt hij wegen zodat wie verstoten is niet voorgoed van hem gescheiden blijft. Als ik nu bij mijn heer de koning aankom met deze zaak, dan omdat de mensen mij vrees hebben aangejaagd; uw dienares overwoog: ‘Misschien luistert de koning naar mij als ik het hem voorhoud. Want de koning zal gehoor geven en mij, zijn dienares, ontrukken aan de greep van hem die mij en mijn zoon tezamen uit Gods erfdeel wil wegvagen.’ En uw dienares hoopte: ‘Moge het woord van mijn heer de koning mij verlichting schenken; want als een engel van God, zo weet mijn heer de koning goed van kwaad te scheiden.’ Moge de HEER, uw God, u bijstaan.” De koning nam het woord tegen de vrouw: “Verheel mij niets van wat ik je ga vragen.” “Laat mijn heer de koning spreken,” antwoordde zij. “Heeft Joab bij dit alles de hand in het spel?” vroeg de koning. “Zo waar u leeft, mijn heer de koning,” antwoordde de vrouw, “aan wat mijn heer de koning zegt valt naar geen kant iets af te doen. Inderdaad, het was uw dienaar Joab die mij dit opdroeg en die uw dienares al deze woorden ingaf. Om de kwestie een andere wending te geven heeft uw dienaar Joab zo gehandeld; maar mijn heer is wijs, wijs als een engel van God, en doorziet alles wat op aarde gebeurt.”
Daarop zei de koning tegen Joab: “Zie, ik willig het in; ga en breng de jonge Absalom terug.” Met het gezicht naar de grond gebogen betuigde Joab de koning zijn eerbied en sprak een zegen over hem uit. “Vandaag merkt uw dienaar dat u hem goedgezind bent, mijn heer de koning,” zei hij, “nu u hebt ingestemd met wat hij u vroeg.” Joab brak op, reisde naar Gesur en haalde Absalom naar Jeruzalem. De koning bepaalde echter: “Hij mag zich in zijn eigen huis terugtrekken, maar mij krijgt hij niet te zien.” Zo hield Absalom zich in zijn eigen huis op, zonder de koning te ontmoeten.
In heel Israël was er niemand die om zijn schoonheid zozeer werd geprezen als Absalom: van kruin tot voetzool viel er geen enkel gebrek aan hem te bekennen. Wanneer hij zijn hoofd liet kaalscheren, en dat deed hij jaarlijks omdat het hem te zwaar werd, woog het afgeschoren haar tweehonderd sjekel volgens het koninklijke ijkgewicht. Aan Absalom werden drie zonen geboren, en een dochter die Tamar heette; zij werd een vrouw van grote schoonheid.
Volle twee jaar verbleef Absalom in Jeruzalem zonder de koning te ontmoeten. Absalom ontbood Joab, met de bedoeling hem als bemiddelaar naar de koning te sturen, maar die kwam niet; een tweede keer ontbood hij hem, en opnieuw bleef Joab weg. Daarop gebood hij zijn dienaren: “Kijk, de akker van Joab grenst aan de mijne en er staat gerst op; ga die in brand steken.” En Absaloms dienaren staken het veld in brand. Toen maakte Joab zich op, kwam naar Absaloms huis en vroeg hem: “Waarom hebben je dienaren mijn akker in brand gestoken?” Absalom gaf Joab ten antwoord: “Ik had je ontboden met het verzoek bij mij te komen, want ik wilde je met een boodschap naar de koning zenden: waartoe ben ik uit Gesur teruggekomen? Beter was ik daar gebleven. Nu wil ik de koning onder ogen komen; kleeft er schuld aan mij, laat hij mij dan doden.” Joab bracht het aan de koning over, die daarop Absalom liet komen. Absalom trad bij de koning binnen en wierp zich voor hem ter aarde neer, waarop de koning hem een kus gaf.