Hoofdstuk
2 Korintiërs 11
Ik wou dat jullie een beetje dwaasheid van mij konden verdragen. Maar dat doen jullie ook wel. Ik waak over jullie met de naijver van God, want ik heb jullie aan één man verloofd, om jullie als een reine maagd aan de Gezalfde voor te stellen. Maar ik ben bang dat, net zoals de slang met haar sluwheid Eva misleidde, ook jullie gedachten worden weggelokt van de ongedeelde, zuivere toewijding aan de Gezalfde. Want stel dat iemand komt met een andere Jezus dan wij verkondigden, of dat jullie een andere geest krijgen dan je ontving, of een ander evangelie dan je aanvaardde. Dan laten jullie dat kalmpjes toe. Toch meen ik in niets onder te doen voor die superapostelen. En al ben ik geen begenadigd spreker, in kennis ben ik het wel; dat hebben wij jullie op allerlei manieren en in alle opzichten duidelijk gemaakt.
Of was het verkeerd van mij om mezelf klein te maken zodat jullie omhoog konden, doordat ik jullie het evangelie van God gratis bracht? Andere gemeenten heb ik geplunderd door van hen een vergoeding aan te nemen, en dat om jullie te kunnen dienen. Toen ik bij jullie verbleef en gebrek leed, heb ik niemand op kosten gejaagd; mijn tekort werd aangevuld door de broeders die uit Macedonië kwamen. In alles heb ik mezelf ervoor behoed jullie te belasten, en zo houd ik het. Zo waar de waarheid van de Gezalfde in mij woont: deze roem laat ik mij in de streken van Achaje niet ontnemen. Waarom dan? Omdat ik niet van jullie zou houden? God weet dat het anders is. Wat ik doe, zal ik blijven doen, om iedere aanleiding weg te nemen bij hen die dolgraag een aanleiding zouden hebben om zich, net als wij, te beroemen. Want zulke lieden zijn schijnapostelen, oneerlijke werkers die zich voordoen als apostelen van de Gezalfde. En dat is geen wonder, want Satan zelf vermomt zich als een engel van het licht. Geen wonder dus dat ook zijn dienaren zich vermommen als dienaren van de gerechtigheid. Hun einde zal zijn wat hun daden verdienen.
Ik zeg het nog eens: laat niemand mij voor een dwaas aanzien. En zo wel, neem mij desnoods aan als een dwaas, zodat ook ik een weinig mag pochen. Wat ik hier zeg, spreek ik niet in opdracht van de Heer, maar bij wijze van dwaasheid, in de overtuiging iets te mogen inbrengen om op te roemen. Nu zovelen zich naar het vlees beroemen, zal ook ik mij beroemen. Verstandig als jullie zijn, hebben jullie immers alle geduld met dwazen. Jullie verdragen het zelfs als iemand je tot slaaf maakt, je leegvreet, je beetneemt, zich boven je verheft of je een klap in het gezicht geeft. Tot mijn schande moet ik bekennen dat wij daarvoor te zwak zijn geweest. Maar waar een ander het waagt, ik spreek nu als een dwaas, waag ik het ook.
Zijn zij Hebreeën? Dat ben ik ook. Israëlieten? Ook. Nageslacht van Abraham? Eveneens. Zijn zij dienaren van de Gezalfde? Nu spreek ik als een gek: ik ben het meer nog dan zij. Ik heb zwaarder gezwoegd, zat vaker gevangen, kreeg veel meer slagen, verkeerde herhaaldelijk in levensgevaar. Vijfmaal kreeg ik van de Joden de veertig-min-één zweepslagen. Driemaal kreeg ik stokslagen, eenmaal werd ik gestenigd, driemaal leed ik schipbreuk; een dag en een nacht dobberde ik op open zee. Ontelbare reizen, gevaren van rivieren, gevaren van rovers, gevaren van mijn eigen volk, gevaren van vreemde volken, gevaren in de stad, gevaren in de woestijn, gevaren op zee, gevaren onder valse broeders; zwoegen en tobben, talloze slapeloze nachten, honger en dorst, vaak zonder eten, in kou en zonder kleren. En dan laat ik het overige nog buiten beschouwing: de dagelijkse druk die op mij rust, de zorg voor alle gemeenten. Wie is zwak, of ik voel het als eigen zwakte? Wie struikelt, of het brandt in mij van verontwaardiging?
Als er dan geroemd moet worden, dan roem ik liever op mijn zwakheid. De God en Vader van de Heer Jezus, hij die geprezen zij tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. Toen ik in Damascus was, hield de stadhouder van koning Aretas de stad van de Damascenen in de gaten om mij te arresteren, maar ik werd door een venster in een mand langs de muur neergelaten, en zo ontkwam ik aan zijn greep.