Hoofdstuk
2 Korintiërs 10
Ik, Paulus, kom persoonlijk een beroep op jullie doen, en wel met de zachtmoedigheid en welwillendheid van de Gezalfde; ik, die in jullie ogen bescheiden ben zolang ik bij jullie ben, maar op afstand een grote mond opzet. Ik smeek jullie: dwing mij niet, wanneer ik bij jullie ben, streng op te treden met de vastberadenheid waarmee ik meen te durven ingrijpen tegen sommigen die menen dat wij ons naar het vlees gedragen. Want al leven wij in het vlees, wij strijden niet naar het vlees. De wapens van onze strijd zijn immers niet vleselijk, maar bezitten Gods kracht om bolwerken te slechten. Wij halen redeneringen onderuit en elk obstakel dat zich verzet tegen de kennis van God; en elke gedachte voeren wij als krijgsgevangene weg om haar aan de Gezalfde te onderwerpen. En wij staan gereed om elke ongehoorzaamheid te bestraffen, zodra jullie gehoorzaamheid volkomen is.
Kijk toch naar wat vlak voor jullie ligt. Wie ervan overtuigd is dat hij de Gezalfde toebehoort, moet ook eens bij zichzelf bedenken: zoals hij de Gezalfde toebehoort, zo behoren ook wij hem toe. Want ook al zou ik nog wat meer uitweiden over de volmacht die de Heer ons schonk, dan hoef ik me niet te schamen. Die volmacht dient immers om jullie op te bouwen, niet om af te breken. Het moet niet lijken alsof ik jullie met mijn brieven bang probeer te maken. Want, zegt men, “zijn brieven zijn gewichtig en krachtig, maar als hij er zelf is, stelt hij weinig voor, en zijn woorden zijn niets waard.” Wie zoiets beweert, moet beseffen: zoals wij ver weg zijn in het woord, via brieven, zo zijn wij van nabij ook in de daad.
Wij durven ons namelijk niet te rekenen tot of te meten met sommigen die zichzelf aanbevelen. Door zich aan zichzelf te meten en met zichzelf te vergelijken, tonen zij juist hun gebrek aan inzicht. Wij daarentegen zullen niet grenzeloos opscheppen, maar houden ons aan de grens van het werkgebied dat God ons heeft toebedeeld, een gebied dat ook jullie omvat. Wij rekken onszelf niet te ver op, alsof wij jullie niet zouden bereiken; wij zijn immers echt tot bij jullie doorgedrongen met het evangelie van de Gezalfde. Wij beroemen ons niet grenzeloos op het werk van anderen, maar wij hopen dat, naarmate jullie geloof groeit, ons arbeidsveld onder jullie ruimschoots wordt uitgebreid, zodat wij het evangelie verder kunnen dragen, tot in de streken aan gene zijde van jullie, en ons niet beroemen op wat binnen andermans grenzen al gereed is. Wie zich beroemt, laat hij zich beroemen op de Heer. Want niet wie zichzelf aanprijst is beproefd, maar wie de Heer aanprijst.