Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Zacharia 9

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Een godsspraak: het woord van de HEER richt zich tegen het land Hadrach en komt tot rust bij Damascus, want op de HEER is het oog gevestigd van heel de mensheid en van alle stammen van Israël, en ook op Hamat, dat aan Damascus grenst, en op Tyrus en Sidon, hoe geslepen zij ook zijn. Tyrus heeft voor zichzelf een vesting opgeworpen, zilver opgestapeld zo overvloedig als stof en fijn goud als de modder op straat. Toch zal de Heer haar bezittingen afnemen, haar rijkdom in zee storten en haarzelf in vlammen laten opgaan.

Askelon zal het zien en beven, en Gaza zal ineenkrimpen van angst, net als Ekron, wier hoop de bodem wordt ingeslagen; uit Gaza zal de koning verdwijnen en Askelon zal verlaten achterblijven. In Asdod zal een volk van gemengde afkomst gaan wonen, en de hoogmoed van de Filistijnen zal ik uitroeien. Het bloed haal ik uit hun mond weg en de gruwelen tussen hun tanden vandaan; ook zij zullen dan als een rest voor onze God overblijven, tot een stamhoofd in Juda worden, en Ekron zal zijn als de Jebusieten. Als een wachtpost zal ik mij rond mijn huis opstellen tegen legers die heen en weer trekken, en geen onderdrukker zal er nog overheen komen, want nu heb ik het met eigen ogen waargenomen.

Jubel het uit, dochter Sion! Barst los in gejuich, dochter Jeruzalem! Kijk, je koning komt naar je toe: rechtvaardig is hij en zegevierend, en toch bescheiden, gezeten op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin. De strijdwagens zal ik uit Efraïm verwijderen en de paarden uit Jeruzalem, en de oorlogsboog zal worden stukgebroken. Aan de volken zal hij vrede verkondigen; zijn heerschappij strekt zich uit van zee tot zee en van de Rivier tot de uiteinden van de aarde.

En wat jou betreft: omwille van het bloed van jouw verbond bevrijd ik jouw gevangenen uit de put waarin geen water te vinden is. Keer terug naar de burcht, gevangenen die vol hoop zijn! Ook vandaag maak ik bekend: het dubbele zal ik je teruggeven. Want Juda span ik als mijn boog en Efraïm leg ik erop als pijl; jouw zonen, Sion, roep ik te wapen tegen die van jou, Griekenland, en ik maak je tot het zwaard van een krijgsheld.

Dan zal de HEER boven hen verschijnen en zijn pijl als een bliksemflits laten uitschieten; de soevereine HEER zal op de ramshoorn blazen en optrekken in de stormwinden uit het zuiden. De HEER van de hemelse legermachten zal hen beschutten; zij zullen de slingerstenen verslinden en vertrappen, drinken en tekeergaan als beschonken van wijn, en zich vullen als een offerschaal, als de hoeken van het altaar. De HEER, hun God, zal hen op die dag verlossen als de schaapskudde die zijn volk vormt; als de edelstenen van een diadeem zullen zij flonkeren boven zijn grond. Want hoe groot is zijn goedheid, hoe groot zijn luister! Het koren doet de jonge mannen opbloeien en de nieuwe wijn de meisjes.

← Zacharia 8Zacharia 10 →