Vijf werelden die elkaar raakten
In de tijd van Jezus botsten vijf werelden op elkaar. Als je die vijf kent, snap je bijna elk verhaal: waarom er ruzie ontstaat, waarom de tempel zo belangrijk is, en waarom Jezus uiteindelijk wordt gekruisigd.
1Rome, de bezetter›
Israël was een verslagen land. De Romeinse generaal Pompeius nam Jeruzalem in in het jaar 63 voor Christus. Daarna bestuurde Rome het gebied, eerst via een vazalkoning (Herodes de Grote), later via eigen bestuurders. In de tijd dat Jezus optrad was Pontius Pilatus de Romeinse landvoogd over Judea, en regeerde Herodes Antipas over Galilea, waar Jezus opgroeide.
Het bijzondere is dat Rome het geloof grotendeels met rust liet. Joden hoefden de keizer niet als god te aanbidden, iets wat van andere volken wél werd verwacht. In de tempel werd geofferd vóór de keizer, niet áán hem. De Joodse raad mocht veel zaken zelf regelen.
Maar één ding hield Rome streng in eigen hand: het zwaard. De doodstraf mocht alleen de Romeinse bestuurder uitspreken. Daarom kon de Joodse raad Jezus wel veroordelen, maar moest hij naar Pilatus om gekruisigd te worden. En er was belasting, afgedragen aan Rome, geïnd door tollenaars: eigen landgenoten die voor de bezetter werkten en daarom werden veracht.
Zie je terug in: de vraag of je belasting aan de keizer mag betalen (Marcus 12), en in de woorden "wij mogen niemand ter dood brengen" als Jezus aan Pilatus wordt overgeleverd (Johannes 18:31).
2De tempel en de priesters›
Het hart van het geloof was de tempel in Jeruzalem. Daar werden de offers gebracht, daar kwam heel het volk op de grote feesten. De tempel werd geleid door de priesters, en bovenaan stond de hogepriester.
De priesterlijke bovenlaag heette de Sadduceeën. Zij waren rijk en machtig, en hielden hun positie in stand door met Rome samen te werken. Ze namen alleen de eerste vijf boeken van Mozes als bindend aan, en geloofden niet in een opstanding uit de dood of in engelen.
Omdat hun macht aan de tempel hing, waren ze bang voor onrust. Iemand die veel volk trok en de tempel ter discussie stelde, zoals Jezus deed, was voor hen een gevaar.
Zie je terug in: de strikvraag van de Sadduceeën over de opstanding (Marcus 12:18), en in de rol van hogepriester Kajafas bij het proces tegen Jezus.
3De wet en de Farizeeën›
Naast de tempel stond de wereld van de wet. De Farizeeën waren geen priesters maar gewone gelovigen, een volksbeweging die probeerde heel precies naar de wet van Mozes te leven, tot in de kleine dingen van het dagelijks leven. Naast de geschreven wet volgden zij ook de mondelinge overlevering, de uitleg van de leraren door de eeuwen heen.
Zij hadden hun plek in de synagoge, dicht bij het gewone volk, en waren geliefd. Anders dan de Sadduceeën geloofden zij wél in de opstanding en in een toekomst bij God. De schriftgeleerden waren de kenners en leraren van de wet, de juristen van die tijd; velen van hen hoorden bij de Farizeeën.
Juist omdat de Farizeeën Jezus op veel punten nabij stonden, denk aan de opstanding en het ernst maken met de Schrift, botste hij het hardst met hen. Het ging niet om vreemden, maar om mensen die hetzelfde boek liefhadden en er anders mee omgingen.
Zie je terug in: de vele gesprekken en botsingen over de sabbat, het wassen van handen en "de overlevering van de ouden" (bijvoorbeeld Marcus 7).
4Het gewone leven›
De meeste mensen waren geen priester of geleerde, maar boer, visser of dagloner. Het leven was hard en eenvoudig. Brood was geen bijzaak maar overleven. De armen aten brood van gerst, de wat rijkeren van tarwe. Vlees was zeldzaam en hoorde bij een feest.
Een dagloner verdiende ongeveer één muntstuk (een denarie) per dag, net genoeg voor zijn gezin. Wie geen werk had, had honger. Tegen die achtergrond krijgt "geef ons heden ons dagelijks brood" een scherpe betekenis, en wordt het bijzonder dat een jongen met vijf gerstebroden, armeluiskost, een menigte voedt.
Tegelijk werd er volop gevierd. Een bruiloft was een dorpsfeest dat dagen kon duren. Het was een grote eer om goed gastheer te zijn, en een schande als iets misging, zoals wijn die te vroeg opraakte.
Zie je terug in: de wonderbare spijziging met vijf gerstebroden (Johannes 6:9), en de bruiloft in Kana waar de wijn opraakt (Johannes 2). Meer hierover staat verderop onder "Het dagelijks leven".
5De verwachting›
Boven dit alles hing een verlangen. Het volk wachtte op de Messias, de door God gezonden bevrijder. Maar men dacht daar heel verschillend over, en dat verklaart veel spanning.
Sommigen wilden de bevrijding met geweld afdwingen: de zeloten, strijders tegen Rome. Eén van Jezus' leerlingen wordt "Simon de Zeloot" genoemd. Een uiterste groep, de sicarii of "dolkmannen", pleegde zelfs aanslagen. Anderen trokken zich juist terug uit de wereld om zuiver te leven, zoals waarschijnlijk de Essenen in de woestijn. En Johannes de Doper riep het volk op zich klaar te maken.
Tegen die achtergrond is het veelzeggend dat Jezus geen leger verzamelt en geen opstand begint, en dat hij toch door Rome als een gevaar wordt behandeld en als een "koning" wordt gekruisigd.
Zie je terug in: de vraag "bent u degene die komen zou?" (Matteüs 11:3), en in de verwarring van mensen die een strijdbare koning verwachtten.
De groepen in één oogopslag
In de verhalen komen steeds dezelfde namen van groepen langs. Hier staan ze kort op een rij, zodat je weet wie wie is.
Farizeeën
Gewone, vrome gelovigen die heel precies naar de wet wilden leven, met de synagoge als thuis. Geloofden in de opstanding. Geliefd bij het volk.
Sadduceeën
De rijke priesterlijke bovenlaag rond de tempel. Werkten samen met Rome. Namen alleen de wet van Mozes aan en geloofden niet in de opstanding.
Schriftgeleerden
De kenners en leraren van de wet, de juristen van die tijd. Ze legden de Schrift uit. Velen hoorden bij de Farizeeën.
Herodianen
Aanhangers van het koningshuis van Herodes en daarmee van de Romeinse orde. Soms samen met de Farizeeën tegen Jezus (Marcus 3:6).
Zeloten
Strijders die Israël met geweld van Rome wilden bevrijden. Simon, een van de leerlingen, wordt "de Zeloot" genoemd.
Essenen
Een groep die zich terugtrok om in afzondering zuiver te leven, waarschijnlijk bij de Dode Zee. Ze worden in de evangeliën niet genoemd.
Samaritanen
Verwanten van de Joden met een eigen tempelberg (de Gerizim) en een eigen uitleg. Joden en Samaritanen gingen slecht met elkaar om.
Tollenaars
Belastinginners die voor Rome geld inden bij hun eigen volk. Vaak rijk geworden, en daarom veracht als verraders. Denk aan Zacheüs en Levi (Matteüs).
De Sanhedrin (de Hoge Raad)
De hoogste Joodse raad, rond de eenenzeventig leden, onder leiding van de hogepriester. Hierin zaten priesters, oudsten en schriftgeleerden samen.
Het dagelijks leven
De kleine dingen van alledag geven de verhalen inhoud. Hoe schaars was eten, hoe ging een bruiloft, en mocht je zomaar een zwaard dragen?
Brood en honger›
Brood was het dagelijks voedsel, voor velen bijna het enige. Het werd thuis gebakken van meel en water. De armen aten gerstebrood, dat goedkoper en grover was; tarwebrood was voor wie het beter had. Daarnaast at men vooral vis uit het meer van Galilea (vaak gezouten), olijven en olie, vijgen, linzen en wat groente, en dronk men wijn, meestal met water aangelengd.
Honger was dichtbij. Een misoogst of ziekte kon een gezin in schulden storten. Daarom raakt het zo dat Jezus brood deelt en mensen te eten geeft: hij geeft wat men het hardst nodig had.
Werk, geld en belasting›
De meeste mensen werkten met hun handen: op het land, met vee, als visser of als ambachtsman. Jezus zelf werd grootgebracht in het timmermans- en bouwvak. Een dagloner kreeg ongeveer één denarie per dag.
Er liepen verschillende soorten geld door elkaar. Romeins geld droeg de afbeelding van de keizer, en daarmee betaalde men de belasting aan Rome. Voor de tempel gold een eigen tempelbelasting, die in een bepaalde zuivere zilveren munt moest worden betaald. Daarom zaten er geldwisselaars op het tempelplein: zij wisselden het gewone geld om. Tollenaars inden tol en belasting voor Rome en golden als verraders.
Zie je terug in: de munt met de beeltenis van de keizer (Marcus 12:16), en de geldwisselaars die Jezus de tempel uitdrijft.
Bruiloft en feest›
Trouwen ging in twee stappen. Eerst de ondertrouw, een bindende belofte, vaak ongeveer een jaar van tevoren. Daarna haalde de bruidegom de bruid op en bracht haar naar het huis van zijn vader, waar het feest begon. Zo'n bruiloft kon dagen duren en was voor het hele dorp.
De bruidegom kwam zijn bruid vaak 's avonds ophalen, in een stoet met lampen en fakkels. Daar komt het beeld vandaan van de meisjes die met hun lampen op de bruidegom wachten. En omdat gastvrijheid een zaak van eer was, was wijn die opraakte een echte schande voor de familie.
Zie je terug in: de bruiloft in Kana (Johannes 2) en de gelijkenis van de tien meisjes met hun lampen (Matteüs 25).
Wapens en recht (het zwaard van Petrus)›
Dat Petrus een zwaard droeg en er een oor mee afsloeg, roept de vraag op of dat zomaar mocht. Het antwoord is: een gewoon mens mocht een mes of kort zwaard dragen. Op reis was dat zelfs verstandig, want de wegen waren onveilig en er waren rovers. Rome nam het gewone volk zijn messen niet af.
Wat niet mocht, was gewapend verzet tegen Rome. Dáár lag de grens. Een opstand werd hard neergeslagen, en juist daarom waren de zeloten en de "dolkmannen" gevaarlijk in Romeinse ogen. Een visser met een kort zwaard aan zijn gordel was dus niets bijzonders; een gewapende beweging tegen de bezetter was levensgevaarlijk.
Toen Jezus werd gevangengenomen, droegen enkele leerlingen een zwaard ("Heer, hier zijn twee zwaarden"). Petrus gebruikte het, en Jezus riep hem juist tot de orde: zijn weg was niet die van het zwaard.
Zie je terug in: "hier zijn twee zwaarden" (Lucas 22:38), de rovers op de weg in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lucas 10:30), en Petrus die het oor van de dienaar afslaat (Johannes 18:10).
Reizen en gevaar onderweg›
Men reisde te voet, soms met een ezel. Een tocht van Galilea naar Jeruzalem duurde dagen. De wegen liepen door eenzaam en bergachtig gebied, waar rovers zich ophielden. Daarom reisde men graag in groepen, zeker naar de feesten.
Dat verklaart waarom mensen vaak samen optrokken, en waarom de ouders van Jezus pas na een dag merkten dat hij niet in de reisgroep zat, toen zij als twaalfjarige in Jeruzalem achterbleef.
Huis, familie en eer›
Het leven speelde zich af in grote families en kleine dorpen, waar iedereen elkaar kende. Eer en schande wogen zwaar: wat de buren van je dachten, bepaalde veel. Gastvrijheid was een heilige plicht.
Mannen en vrouwen hadden verschillende rollen, en vrouwen hadden in het openbare leven weinig in te brengen. Juist daarom valt het op hoe Jezus met vrouwen, kinderen en buitenstaanders omging, en hoe vaak zij in de verhalen een hoofdrol krijgen.
Geloof en tempel van dichtbij
Hoe zag de tempel er van binnen uit, wat deed men in de synagoge, en welke talen sprak men eigenlijk?
De tempel van binnen›
De tempel in Jeruzalem was in de tijd van Jezus pas kort daarvoor door koning Herodes groots verbouwd, en de bouw was nog niet eens helemaal klaar ("zesenveertig jaar is aan deze tempel gebouwd", Johannes 2:20). Het was een enorm plein met daarop het heiligdom.
De ruimte was ingedeeld in ringen van toenemende heiligheid. Buiten lag het voorhof van de heidenen, waar iedereen mocht komen; daar stonden de verkopers van offerdieren en de geldwisselaars. Een stenen hek met waarschuwingsborden gaf aan dat niet-Joden niet verder mochten. Daarbinnen lag het voorhof van de vrouwen, dan dat van de mannen, en dan het voorhof van de priesters met het grote brandofferaltaar.
In het hart stond het heilige, en daarachter, afgeschermd door een zwaar voorhangsel, het heilige der heiligen. Die ruimte was leeg, en alleen de hogepriester mocht er binnen, één keer per jaar, op de Grote Verzoendag. Bij de dood van Jezus scheurde juist dat voorhangsel van boven naar beneden.
Zie je terug in: het uitdrijven van de verkopers uit het voorhof (Marcus 11), en het scheuren van het voorhangsel bij de kruisiging (Marcus 15:38).
Het voorhangsel dat scheurde›
Toen Jezus stierf, scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder. Dat was het zware gordijn dat het heilige der heiligen afsloot, de plek waar men Gods aanwezigheid het dichtst bij wist en waar alleen de hogepriester één keer per jaar mocht komen. Dat juist dát gordijn scheurt, en van bovenaf, werd gelezen als een teken dat de weg naar God was opengegaan.
Hoe groot dat gordijn was, weten we uit oude Joodse bronnen. De getallen lopen uiteen en er zit overdrijving bij, maar het beeld is duidelijk. De geschiedschrijver Josephus beschrijft een gordijn voor de ingang van de tempel van ongeveer vijfentwintig meter hoog en acht meter breed, geweven uit blauw, purper en scharlaken. De Joodse overlevering (de Misjna) spreekt over het binnenste voorhangsel als een handbreed dik, dat is ongeveer acht centimeter, en zó zwaar dat er volgens het verhaal honderden mannen nodig waren om het te hanteren. De oude maat die daarbij hoort, de "el", was ongeveer een halve meter.
Kort gezegd: geen dun gordijntje, maar een enorme, dikke, torenhoge lap stof. Dat zo'n gordijn in tweeën scheurt, van boven naar beneden, was geen klein teken.
Zie je terug in: "het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën, van boven tot onder" bij de dood van Jezus (Marcus 15:38).
De synagoge en de sabbat›
De tempel stond alleen in Jeruzalem, maar in elk dorp was een synagoge. Dat was geen offerplaats maar een huis van samenkomst, waar men op de sabbat bijeenkwam om te bidden, uit de Schrift te lezen en er uitleg bij te horen. Iedereen kon worden gevraagd voor te lezen.
De sabbat, de rustdag, was heilig: van vrijdagavond tot zaterdagavond deed men geen werk. Over de vraag wat "werk" precies was, werd veel gesproken. Daar komen veel van de botsingen vandaan over wat Jezus op de sabbat wel of niet mocht doen, zoals een zieke genezen.
Zie je terug in: Jezus die in de synagoge van Nazaret uit de boekrol voorleest (Lucas 4), en de discussies over genezen op de sabbat.
Rein en onrein›
In het dagelijks leven speelde "rein" en "onrein" een grote rol. Dat ging niet over vies of schoon, maar over wat je wel of niet geschikt maakte om bij het heilige te komen. Bepaald voedsel, een huidziekte, het aanraken van een dode of bloed maakte iemand voor een tijd onrein, en dan moest men zich reinigen.
Dat maakt veel ontmoetingen opvallend. Als Jezus een melaatse aanraakt, een vrouw die al jaren bloedingen heeft hem aanraakt, of hij een dode bij de hand neemt, doorbreekt hij telkens die grenzen, en wordt niet hij onrein, maar de ander gezond.
De talen die men sprak›
Er werden meerdere talen door elkaar gesproken. Thuis en op straat sprak men Aramees, een taal die verwant is aan het Hebreeuws. Het Hebreeuws was vooral de taal van de Schrift en de synagoge. Door het hele rijk was Grieks de taal van de handel en het verkeer, en het Latijn was de taal van de Romeinse overheid.
Daarom kon het gebeuren dat het bord boven het kruis in drie talen stond: in het Hebreeuws (of Aramees), het Latijn en het Grieks, zodat iedereen het kon lezen.
Zie je terug in: het opschrift boven het kruis, in drie talen (Johannes 19:20), en in Aramese woorden die bewaard bleven, zoals "talita koem" en "abba".
Woorden en dingen die toen anders waren
Veel gewone woorden uit de verhalen betekenden toen iets anders dan nu, of zagen er anders uit. Als je dat weet, ga je het verhaal meteen beter zien.
Een lamp, geen kaars
Een "lamp" was een klein kleipotje met olijfolie en een pit, geen kaars van was. Daarom hadden de meisjes in de gelijkenis olie nodig, en is "zet je lamp niet onder de korenmaat" een beeld uit het dagelijks leven.
Een boekrol, geen boek
Men las niet uit een boek met bladzijden, maar uit een rol van papyrus of perkament. Toen Jezus in de synagoge "het boek opende", rolde hij een boekrol uit (Lucas 4).
Aanliggen aan tafel
Bij een feestmaal zat men niet op stoelen, maar lag men op de zij op lage banken, steunend op een arm. Daarom kon een leerling "aan de borst van Jezus" liggen bij het laatste avondmaal.
Platte daken
Huizen hadden platte daken, bereikbaar via een trap aan de buitenkant. Je kon er bidden, slapen of iets te drogen leggen. Daarom konden vrienden een verlamde man door het dak naar beneden laten zakken (Marcus 2).
Sandalen en voeten wassen
Men liep op sandalen over stoffige wegen. Iemands voeten wassen was het werk van de laagste slaaf. Daarom was het zo opmerkelijk dat Jezus de voeten van zijn leerlingen waste.
Een penning, een talent
De "penning" uit oude vertalingen is de denarie, het dagloon van een arbeider. Een "talent" was geen munt maar een enorm gewicht aan zilver, een heel vermogen. Dat maakt de gelijkenis van de talenten een stuk scherper.
Maten, mijlen en de klok
Afstand ging in stadiën en Romeinse mijlen, lengte in ellen. De dag werd geteld vanaf zonsopgang, dus "het derde uur" is ongeveer negen uur 's ochtends. Een Romeinse soldaat mocht je dwingen zijn last een mijl te dragen, vandaar "wie je dwingt één mijl te gaan, ga er twee" (Matteüs 5:41).
De "zee" van Galilea
Wat "de zee van Galilea" heet, is eigenlijk een groot zoetwatermeer. Door de ligging tussen de bergen konden er plotseling hevige stormen opsteken, zoals toen de leerlingen in nood kwamen.
De herberg bij de geboorte
Het woord dat met "herberg" is vertaald, betekent eerder een gastenverblijf of bovenkamer dan een hotel. Er was geen plaats, en daarom werd Jezus in een voederbak gelegd, waarschijnlijk in het deel van een huis waar ook de dieren stonden.
Het kruis
De veroordeelde droeg meestal alleen de zware dwarsbalk naar buiten de stad, waar de rechte paal al stond. Kruisiging was de wreedste en meest vernederende straf die Rome kende, bedoeld voor opstandelingen en slaven.
Zout
Zout was kostbaar, om eten te bewaren en op smaak te brengen. "Jullie zijn het zout van de aarde" was daarom een groot compliment.
Afstanden en reizen
Men reisde te voet, soms met een ezel. Een goede dagmars was ongeveer dertig kilometer. Zo krijg je gevoel voor de afstanden in de verhalen.
Nazaret naar Jeruzalem
Ongeveer 120 tot 150 kilometer, drie tot vier dagen lopen. Deze reis maakte het gezin elk jaar voor het Paasfeest.
Nazaret naar Betlehem (de volkstelling)
Ongeveer dezelfde afstand, enkele dagen lopen. Extra zwaar voor de hoogzwangere Maria.
Jeruzalem naar Jericho
Ongeveer 25 kilometer, steil bergaf, een dag lopen. Dit is de beruchte, onveilige weg uit de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.
Jeruzalem naar Betanië
Ongeveer drie kilometer, een klein uur. Hier woonden Lazarus, Marta en Maria, vlak bij de stad.
Betlehem naar Jeruzalem
Ongeveer negen kilometer, een paar uur lopen.
Jeruzalem naar Emmaüs
Ongeveer elf kilometer, de weg die de twee leerlingen liepen op de paasdag (Lucas 24).
Een sabbatsreis
Ongeveer één kilometer. Zover mocht je op de rustdag lopen, niet verder (Handelingen 1:12).
Het land in het kort
Het gebied was klein, maar kende duidelijke streken. In het noorden lag Galilea, groen en vruchtbaar, met het meer waar veel werd gevist. Hier groeide Jezus op, in Nazaret, en hier begon zijn optreden. Galileeërs werden door de deftige Judeeërs een beetje als provincialen gezien.
In het midden lag Samaria, het gebied van de Samaritanen. Joden die van Galilea naar Jeruzalem reisden, maakten er soms met opzet een omweg omheen, zo diep zat het wantrouwen.
In het zuiden lag Judea, met Jeruzalem als geestelijk hart en de tempel als middelpunt. Hierheen trok het hele volk op de grote feesten. Het Romeinse bestuur zat niet in Jeruzalem maar aan de kust, in Caesarea; alleen op drukke feesten kwamen er extra Romeinse soldaten naar Jeruzalem, voor het geval er onrust uitbrak.