Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Spreuken 26

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Zoals sneeuw niet bij de zomer en regen niet bij de oogsttijd past, zo misstaat eer aan een dwaas.

Zoals een mus wegwiekt en een zwaluw voorbijvliegt, zo mist een vervloeking zonder grond haar doel.

De zweep hoort bij een paard, het bit bij een ezel, en de stok hoort op de rug van dwazen.

Geef een dwaas geen antwoord dat bij zijn dwaasheid past, anders word je nog net als hij.

Geef een dwaas juist wél een antwoord dat bij zijn dwaasheid past, anders vindt hij zichzelf nog wijs.

Wie een dwaas een boodschap laat overbrengen, hakt zichzelf de voeten af en haalt zich ellende op de hals.

Zoals de benen van een verlamde slap neerhangen, zo klinkt een spreuk uit de mond van dwazen.

Wie een dwaas eerbetoon geeft, is als iemand die een steen vastbindt in een slinger.

Een spreuk in de mond van een dwaas is als een doorntak die in de hand van een dronkaard zwaait.

Wie een dwaas of een willekeurige voorbijganger inhuurt, is als een boogschutter die iedereen raakt.

Zoals een hond terugkeert naar zijn eigen braaksel, zo begint een dwaas telkens weer aan zijn dwaasheid.

Zie je iemand die zichzelf wijs vindt? Zelfs voor een dwaas valt meer te hopen dan voor zo iemand.

De luiaard beweert: “Er loopt een leeuw op de weg, midden op straat is een leeuw!”

Zoals een deur op haar scharnieren heen en weer draait, zo draait de luiaard zich om in zijn bed.

De luiaard steekt zijn hand in de schaal, maar is te loom om hem naar zijn mond te brengen.

In zijn eigen ogen is de luiaard wijzer dan zeven mensen die verstandig weten te antwoorden.

Wie zich opwindt over een ruzie die hem niet aangaat, is als iemand die in het voorbijgaan een hond bij de oren grijpt.

Zoals een waanzinnige die brandende, dodelijke pijlen om zich heen schiet,

zo is iemand die zijn naaste bedriegt en dan zegt: “Ik maakte toch maar een grapje?”

Als er geen hout meer is, dooft het vuur;
en als er geen roddelaar is, komt de ruzie tot rust.

Zoals kolen de gloed voeden en hout het vuur, zo wakkert een ruziezoeker de onenigheid aan.

De woorden van een roddelaar zijn als lekkere hapjes, die vanzelf naar binnen glijden, tot diep in de buik.

Vurige woorden uit een boosaardig hart zijn als een laagje zilverglazuur over een potscherf.

Wie haat koestert vermomt zich met zijn woorden, terwijl hij vanbinnen bedrog met zich meedraagt.

Praat hij vriendelijk, geloof hem dan niet, want zijn hart is vol van zeven gruwelen.

Al verbergt hij zijn haat achter een schijnvertoning, in de volksvergadering komt zijn boosaardigheid aan het licht.

Wie voor een ander een kuil graaft, valt daar zelf in, en wie een steen naar boven wentelt, krijgt hem op zich terug.

Een leugenachtige tong haat degenen die zij kapotmaakt, en een vleiende mond brengt onheil teweeg.

← Spreuken 25Spreuken 27 →