Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Ruth 4

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Boaz was inmiddels naar de poort gegaan en had daar plaatsgenomen. Juist toen kwam de losser voorbij over wie hij gesproken had. Boaz riep: “Kom eens hier, zus-en-zo, en ga zitten.” En de man kwam en nam plaats. Vervolgens nam Boaz tien mannen uit de oudsten van de stad erbij en verzocht hun plaats te nemen; en zij gingen zitten. Daarna sprak hij de losser aan: “Het stuk grond dat aan onze broeder Elimelech toebehoorde, wordt door Noömi te koop aangeboden, nu zij uit het land Moab is teruggekeerd. Ik wilde je dit ter kennis brengen: verwerf het waar deze aanwezigen en de oudsten van mijn volk bij zijn. Ben je bereid te lossen, doe het dan; zo niet, laat het mij weten, dan weet ik waar ik aan toe ben, want vóór jou heeft niemand het lossingsrecht, en na jou kom ik.” De man antwoordde: “Ik zal lossen.” Toen zei Boaz: “Zodra je het land uit Noömi’s hand koopt, verwerf je tegelijk Ruth, de Moabitische, de weduwe van de gestorvene, om diens naam op zijn erfdeel in stand te houden.” Daarop zei de losser: “Dan kan ik het voor mijzelf niet lossen, want ik zou mijn eigen erfdeel schaden. Neem jij mijn lossingsrecht over, want lossen kan ik niet.” Nu was het in Israël van oudsher gebruik dat men bij een lossing of ruil elke zaak zó bekrachtigde: de een trok zijn sandaal uit en overhandigde die aan de ander; zo maakte men in Israël een overeenkomst rechtsgeldig. “Koop het dus maar,” zei de losser tegen Boaz, en hij trok zijn sandaal uit.

Daarop verklaarde Boaz aan de oudsten en de hele schare: “Jullie zijn er vandaag getuige van dat ik uit Noömi’s hand heel het bezit van Elimelech en van Kiljon en Machlon heb overgenomen. Ook neem ik Ruth, de Moabitische, die de weduwe van Machlon is, tot echtgenote, zodat de naam van de overledene aan zijn erfdeel verbonden blijft en niet wordt uitgewist onder zijn verwanten en bij de poort van zijn stad. Daarvan zijn jullie heden getuige.” Heel het volk bij de poort betuigde met de oudsten: “Wij zijn getuige. Moge de HEER de vrouw die in jouw huis komt gelijk maken aan Rachel en Lea, de twee die tezamen het volk Israël hebben grootgebracht. Betoon je kracht in Efrata en vestig een naam in Betlehem. En moge jouw huis worden als dat van Peres, die Tamar aan Juda baarde, dankzij het nageslacht dat de HEER je bij deze jonge vrouw zal schenken.”

Zo nam Boaz Ruth tot vrouw en sliep met haar; de HEER schonk haar een zwangerschap, en zij bracht een zoon ter wereld. De vrouwen zeiden toen tegen Noömi: “Geprezen zij de HEER, die je vandaag niet zonder losser heeft gelaten; moge zijn naam in Israël blijven weerklinken. Hij zal je nieuwe levensmoed geven en in je ouderdom je verzorger zijn, want hij is geboren uit je schoondochter, die je liefheeft en voor jou meer waard is dan zeven zonen.” Noömi nam het kind, vlijde het op haar schoot en werd zijn verzorgster. De buurvrouwen gaven hem een naam en riepen: “Voor Noömi is een zoon geboren!” Zij noemden hem Obed; hij werd de vader van Isaï, de vader van David.

Dit is de stamboom van Peres: Peres bracht Chesron voort, Chesron bracht Ram voort, Ram bracht Amminadab voort, Amminadab bracht Nachson voort, Nachson bracht Salma voort, Salmon bracht Boaz voort, Boaz bracht Obed voort, Obed bracht Isaï voort, en Isaï bracht David voort.

← Ruth 3einde →