Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Romeinen 5

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Nu wij dan door geloof zijn vrijgesproken, leven we in vrede met God, dankzij onze Heer Jezus de Gezalfde. Door hem hebben we ook in geloof toegang gekregen tot de genade waarin we vaststaan, en we roemen op de hoop dat we in Gods glorie zullen delen. En niet alleen dat: we roemen zelfs in onze beproevingen, in het besef dat verdrukking volharding kweekt, dat volharding standvastigheid oplevert, en standvastigheid weer hoop. Die hoop maakt niet te schande, want Gods liefde is in ons hart uitgegoten door de heilige Geest, die ons geschonken is.

Toen wij nog krachteloos waren, is de Gezalfde immers op de daarvoor bestemde tijd voor goddelozen gestorven. Je zult niet gauw iemand vinden die voor een rechtvaardige wil sterven; hooguit brengt iemand het misschien op om voor een goed mens te sterven. Maar God bewijst zijn liefde voor ons hierin, dat de Gezalfde voor ons is gestorven toen wij nog zondaars waren. Des te meer zullen wij, nu we door zijn bloed zijn vrijgesproken, dankzij hem aan de toorn ontkomen. Want als wij, toen we nog vijanden waren, door de dood van zijn Zoon met God zijn verzoend, hoeveel te meer zullen wij, eenmaal verzoend, gered worden doordat hij leeft. Maar daar blijft het niet bij: we roemen zelfs in God, dankzij onze Heer Jezus de Gezalfde, door wie wij die verzoening nu ontvangen hebben.

Zo is het gegaan: door één mens is de zonde de wereld binnengekomen, en met de zonde de dood, en op die manier heeft de dood zich uitgestrekt tot alle mensen, want allen hebben gezondigd. Er was namelijk al zonde in de wereld voordat er een wet was; maar zonde wordt niet toegerekend zolang er geen wet bestaat. Toch heerste de dood van Adam tot Mozes, zelfs over hen die niet, zoals Adam, een gebod hadden overtreden. Adam nu is een voorafbeelding van hem die komen zou. Maar de genadegave staat niet op één lijn met de misstap. Want als door de misstap van die ene de velen gestorven zijn, dan is Gods genade, met de gave die voortkomt uit de genade van die ene mens Jezus de Gezalfde, in veel rijkere mate over die velen uitgestroomd. Ook met de gave is het anders gesteld dan met de gevolgen van die ene zondaar. Want het vonnis dat op één overtreding volgde, liep uit op veroordeling, maar de genadegave, die op talloze overtredingen volgt, loopt uit op vrijspraak. Want als door de misstap van die ene de dood is gaan heersen via die ene, hoeveel te zekerder zullen dan zij die de overvloed van genade en de gave van de gerechtigheid ontvangen, heersen in het leven, door die ene, Jezus de Gezalfde. Kortom: zoals één overtreding voor alle mensen op veroordeling uitliep, zo loopt één daad van gerechtigheid voor alle mensen uit op de vrijspraak die leven geeft. Immers, zoals de vele mensen door de ongehoorzaamheid van dat ene individu tot zondaars werden gestempeld, zo zullen door de gehoorzaamheid van die ene de velen tot rechtvaardigen worden gemaakt. De wet is er nog tussendoor bij gekomen, waardoor de overtreding zich vermenigvuldigde; maar waar de zonde zich vermenigvuldigde, werd de genade des te overvloediger, zodat, zoals de zonde heerste door middel van de dood, voortaan de genade zou heersen door middel van gerechtigheid, uitmondend in eeuwig leven, door Jezus de Gezalfde, onze Heer.

← Romeinen 4Romeinen 6 →