Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Richteren 5

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Op die dag zetten Debora en Barak, de zoon van Abinoam, dit lied in: “Nu de leiders in Israël de leiding namen, nu het volk zich vrijwillig aanbood, loof daarom de HEER! Luister, koningen! Spits jullie oren, vorsten! Voor de HEER, ja voor hem wil ik zingen, voor de HEER, de God van Israël, wil ik spelen.

HEER, toen u vanuit Seïr optrok, toen u vanaf de velden van Edom voortschreed, sidderde de aarde en droop de hemel, lieten de wolken hun water stromen. Voor de HEER wankelden de bergen, zelfs de Sinaï, voor de HEER, de God van Israël.

Ten tijde van Samgar, de zoon van Anat, en ten tijde van Jaël, raakten de hoofdwegen verlaten; reizigers weken uit langs slingerende paden. Het platteland van Israël lag stil en verweesd, totdat ik opstond, Debora, totdat ik opstond als een moeder voor Israël. Men koos zich nieuwe goden, en meteen laaide de strijd op bij de poorten. Was er ook maar één schild of speer te zien onder de veertigduizend in Israël?

Mijn hart gaat uit naar de aanvoerders van Israël, die zich onder het volk vrijwillig aanboden. Loof daarom de HEER! Jullie die op blank glanzende ezelinnen rijden, jullie die op kostbare kleden gezeten zijn, en jullie die te voet de weg gaan: overweeg het! Waar men de kudden verdeelt bij de drinkbakken, laat men daar de rechtvaardige daden van de HEER bezingen, zijn heilzame daden aan het platteland van Israël. Toen daalde het volk van de HEER af naar de poorten.

Ontwaak, ontwaak, Debora! Ontwaak, ontwaak en hef een lied aan! Sta op, Barak, en voer je gevangenen weg, zoon van Abinoam! Toen daalde een rest van edelen af, daalde het volk van de HEER voor mij af, onder de helden.

Uit Efraïm kwamen zij die in Amalek wortelen, achter jou aan, Benjamin, met je stamgenoten; uit Machir kwamen de bevelhebbers omlaag, en uit Zebulon zij die de gezagsstaf voeren. De vorsten van Issachar schaarden zich achter Debora; zoals Issachar, zo ook Barak, het dal in gestuurd, hem op de hielen. Maar in de gelederen van Ruben werd eindeloos gewikt en gewogen. Waarom bleef jij bij de veekooien hangen, om naar het fluiten voor de kudden te luisteren? Bij de beken van Ruben bleef men maar aarzelen en overleggen. Gilead hield zich schuil aan de overzijde van de Jordaan; en Dan, wat bond hem toch aan de schepen? Aser zetelde langs de kustlijn, kalm bij zijn inhammen. Zebulon was een volk dat zijn leven waagde tot in de dood, en Naftali, hoog op de open velden.

Er kwamen koningen om slag te leveren; toen vochten de vorsten van Kanaän te Taänach, langs het water bij Megiddo, maar zilver als buit viel hun niet ten deel. Vanuit de hemel streden de sterren, vanuit hun banen bonden zij de strijd aan met Sisera. De beek Kison sleurde hen mee, die stroom van oudsher, de Kison. Treed voort, mijn ziel, met kracht! Toen dreunden de hoeven van de paarden, in razende galop stormden zijn hengsten voort. Leg een vloek op Meroz, spreekt de engel van de HEER, vervloek zijn bewoners keer op keer, want zij snelden de HEER niet ter hulp, zij stonden de HEER niet bij te midden van de helden.

Gezegend boven de vrouwen is Jaël, de vrouw van Cheber de Keniet, boven de tentbewoonsters gezegend. Water vroeg hij, melk gaf zij; in een vorstelijke schaal bood zij hem room aan. Haar hand tastte naar de tentpin, haar rechterhand naar de hamer van de werklieden; zij trof Sisera, verbrijzelde zijn hoofd, versplinterde en doorboorde zijn slaap. Aan haar voeten zonk hij neer, viel hij, bleef hij liggen; aan haar voeten zonk hij neer en viel hij; waar hij neerzonk, daar viel hij, geveld.

Door het venster tuurde de moeder van Sisera, achter het traliewerk jammerde zij: ‘Waarom laat zijn wagen zo lang op zich wachten? Waarom talmt het gedreun van zijn wagens?’ De verstandigste van haar hofdames gaf haar antwoord, en zijzelf herhaalde die woorden bij zichzelf: ‘Vast zijn zij nog volop de buit aan het verdelen: een meisje, twee meisjes voor iedere man; voor Sisera gekleurde gewaden als buit, bonte stoffen, aan weerskanten geborduurd, om de hals van wie ze buitmaakten te sieren.’ Zo mogen al uw vijanden vergaan, HEER! Maar wie hem liefhebben, mogen zij zijn als de opgaande zon in volle kracht.” En het land had veertig jaar rust.

← Richteren 4Richteren 6 →