Woordanker leesuitgave ‹ ›

Psalm

Psalm 55

Voor de koorleider. Bij snarenspel. Een leerdicht van David.

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Leen mijn gebed het oor, God, en onttrek u niet aan mijn smeekbede.

Wend u tot mij en geef mij antwoord. Rusteloos zwerf ik rond in mijn geklaag en kreun,

vanwege het geroep van de vijand en het gedreig van de goddeloze;
zij laden onheil op mij en bestoken mij verbeten.

Mijn hart siddert diep in mijn binnenste, en de verschrikkingen van de dood overvallen mij.

Angst en beving komen over mij, en een huivering hult mij in.

Ik verzucht: “Bezat ik maar de wieken van een duif, dan vloog ik heen en vond ik een rustplaats.

Zie, ver weg zou ik vluchten en mijn nachtverblijf in de wildernis zoeken. Sela

Met spoed zou ik een toevlucht opzoeken, ver van de gierende wind en de wervelstorm.”

Verwar hen, Heer, splijt hun tongen uiteen, want geweld en tweedracht zie ik in de stad.

Overdag en in de nacht sluipen zij over haar wallen;
binnen haar muren nestelen onheil en verdriet.

Ondergang huist in haar hart;
van haar marktplein wijken verdrukking en bedrog niet.

Was het een vijand die mij smaadde, ik zou het verduren;
hief een tegenstander zich boven mij, ik week voor hem uit.

Maar jij bent het, iemand van mijn eigen slag, mijn vertrouwde metgezel, mijn goede bekende!

Samen deelden wij een innige omgang, en te midden van de schare liepen wij naar Gods huis.

Laat de dood hen overrompelen, laat hen levend in het dodenrijk wegzinken, want boosaardigheid nestelt in hun huis en in hun binnenste.

Ik roep God aan, en de HEER zal mij uitkomst geven.

Bij avond, bij ochtend en bij middag klaag en kreun ik, en hij verneemt mijn stem.

Ongeschonden koopt hij mijn leven vrij uit de strijd die men tegen mij voert, hoe talrijk mijn tegenstanders ook zijn.

God zal het horen en hen ten onder brengen, hij die van eeuwig af troont, Sela, omdat zij hun leven niet beteren en geen ontzag voor God kennen.

De verrader keerde zich met geweld tegen wie met hem in vrede leefden en ontheiligde het verbond dat hij sloot.

Zijn mond is gladder dan room, maar in zijn hart broeit strijd;
zachter dan olie klinken zijn woorden, en toch zijn het ontblote zwaarden.

Leg je zorgen neer bij de HEER, dan zal hij je steunen;
nooit laat hij de rechtvaardige omvallen.

Maar u, God, doet hen neerdalen in de kuil van het verderf;
mannen van bloedvergieten en bedrog halen niet de helft van hun dagen. Ik echter, ik stel mijn vertrouwen op u.

← Psalm 54Psalm 56 →