Woordanker leesuitgave ‹ ›

Psalm

Psalm 115

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Niet aan ons, HEER, niet aan ons, maar aan uw naam komt de eer toe, omwille van uw liefde en uw trouw.

Waarom zouden de volken spottend vragen: “Waar blijft die God van hen dan?”

Onze God troont in de hemel;
alles waartoe hij besluit, brengt hij tot stand.

Wat zij vereren is niet meer dan zilver en goud, het maaksel van mensenvingers.

Ze hebben een mond en spreken niet, ogen en zien niets;

ze hebben oren en horen niets, een neus en ruiken niets;

ze hebben handen die niet tasten en voeten die niet lopen, en uit hun keel komt geen enkel geluid.

Wie ze vervaardigen worden aan hen gelijk, en zo vergaat het ieder die zijn hoop op hen bouwt.

Israël, verlaat je op de HEER;
op hem kun je bouwen, hij is je beschutting.

Huis van Aäron, verlaat je op de HEER;
op hem kun je bouwen, hij is je beschutting.

Jullie die ontzag voor de HEER hebben, verlaat je op de HEER;
op hem kun je bouwen, hij is je beschutting.

De HEER is ons indachtig en zal zegen schenken: hij zal het volk van Israël zegenen en het huis van Aäron zegenen,

hij zal allen zegenen die ontzag voor de HEER hebben, kleinen zowel als groten.

Moge de HEER u steeds talrijker maken, u en uw kinderen erbij.

Gezegend bent u door de HEER, die hemel en aarde heeft geschapen.

De hemel is het domein van de HEER, maar de aarde heeft hij aan de mensen toevertrouwd.

Het zijn niet de doden die de Heer loven, en evenmin wie zijn afgedaald in het zwijgen.

Maar wij, wij zullen de Heer blijven prijzen, van nu af en tot in eeuwigheid. Halleluja!

← Psalm 114Psalm 116 →