Woordanker leesuitgave ‹ ›

Psalm

Psalm 104

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Prijs de HEER, mijn ziel. HEER, mijn God, hoe groots bent u, gehuld in pracht en verhevenheid,

omhuld met licht als met een mantel, u die de hemel uitrolt als een tentkleed,

u die uw bovenvertrekken op de wateren optrekt, de wolken tot uw strijdwagen maakt en voortrijdt op de vleugels van de wind,

u die de winden inzet als uw gezanten en vlammend vuur als uw dienaren.

U hebt de aarde op haar sokkels geplaatst, zodat zij nooit ofte nimmer aan het wankelen raakt.

Met de oervloed hulde u haar als met een gewaad;
tot boven de bergen reikten de wateren.

Toen u hen dreigend toesprak vluchtten zij weg, bij het gerommel van uw donder stoven zij uiteen.

Zij klommen omhoog langs de bergen en zakten weg naar de dalen, naar de plek die u voor hen had bestemd.

U trok een grens die zij niet mogen overgaan;
nooit meer zullen zij de aarde overspoelen.

U laat de bronnen ontspringen in de beekdalen;
tussen de bergen door banen zij zich een weg.

Zij laven al wat op het veld leeft;
de wilde ezels stillen er hun dorst.

Langs hun oevers nestelen de vogels van de hemel;
vanuit het gebladerte laten zij hun gezang horen.

Vanuit uw bovenvertrekken bevochtigt u de bergen;
met de opbrengst van uw werk raakt de aarde verzadigd.

U laat gras opkomen voor het vee en gewassen die de mens moet bewerken, om voedsel voort te brengen uit de grond,

wijn die het mensenhart vrolijk stemt, olie die zijn gezicht doet stralen, en brood dat de mens weer kracht geeft.

Ook de bomen van de HEER worden verzadigd, de ceders van de Libanon die hij heeft geplant,

waarin de vogels hun nesten maken;
de ooievaar heeft haar verblijf in de cipressen.

De hoge bergen behoren aan de steenbokken, de rotskloven bieden de klipdassen een schuilplaats.

U hebt de maan gemaakt om de tijden te bepalen;
de zon weet waar zij moet ondergaan.

U laat de duisternis vallen en de nacht breekt aan;
dan komen alle dieren van het woud tevoorschijn.

De jonge leeuwen brullen om buit en verlangen van God hun voedsel.

Zodra de zon opkomt, trekken zij zich terug en vlijen zich neer in hun holen.

Dan trekt de mens erop uit naar zijn bezigheden en zwoegt tot de avond invalt.

Wat een overvloed aan werken, HEER;
alles hebt u met wijsheid gemaakt, en de aarde is vol van uw schepselen.

Daar ligt de zee, uitgestrekt en wijd, met een niet te tellen gewemel van leven, dieren groot en klein.

Daar glijden de schepen voort, daar is de Leviatan die u hebt geboetseerd om er te dartelen.

Zij allen kijken verwachtingsvol naar u uit, zodat u hun voedsel geeft op de juiste tijd.

Reikt u het hun aan, dan verzamelen zij het;
opent u uw hand, dan worden zij met het goede verzadigd.

Verbergt u uw gelaat, dan slaat de schrik hun om het hart;
ontneemt u hun de adem, dan sterven zij en keren zij terug tot het stof.

Zendt u uw levensadem, dan worden zij tot leven gewekt, en zo geeft u de aarde een nieuw aanzien.

Moge de glorie van de HEER voor altijd standhouden, moge de HEER vreugde beleven aan zijn werken,

hij die een blik op de aarde werpt zodat zij siddert, die de bergen aanraakt zodat zij roken.

Voor de HEER wil ik zingen zolang ik leef, mijn God bespelen zolang ik besta.

Moge mijn overdenking hem bevallen;
ikzelf vind mijn vreugde in de HEER.

Laten de zondaars van de aarde verdwijnen en de goddelozen ophouden te bestaan. Prijs de HEER, mijn ziel. Halleluja!

← Psalm 103Psalm 105 →