Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Prediker 5

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Pas op waar je je voeten zet als je naar het huis van God gaat. Kom er liever naartoe om te luisteren dan om een offer te brengen zoals de dwazen, die niet eens beseffen dat zij verkeerd bezig zijn.

Wees niet overhaast met je woorden en laat je hart zich niet haasten om iets voor God uit te spreken. Hij troont immers in de hemel en jij staat op de aarde;
houd het daarom bij weinig woorden.

Want zoals een droom ontstaat door veel bedrijvigheid, zo verraadt de stem van een dwaas zich door een stortvloed aan woorden.

Doe je God een gelofte, blijf dan niet talmen om haar in te lossen, want aan dwazen beleeft hij geen plezier. Kom na wat je hebt toegezegd.

Het is beter helemaal niets te beloven dan een belofte te doen en die niet gestand te doen.

Laat je mond je niet in de zonde storten, en houd de bode niet voor: “Het was maar een misstap.” Waarom zou je Gods toorn over je woorden oproepen en het werk van je handen laten verwoesten?

Want waar de dromen zich opstapelen komen ook de vluchtige, lege woorden in menigte;
jij echter, heb ontzag voor God.

Zie je in een gewest dat de arme wordt uitgebuit en dat recht en gerechtigheid met geweld worden weggeroofd, sta daar dan niet versteld van, want de ene hooggeplaatste wordt bewaakt door een hogere, en boven die twee staan er nog hoger.

Hoe dan ook is dit in het voordeel van een land: een koning die zich ten dienste stelt van het bewerkte akkerland.

Wie op zilver verzot is krijgt van zilver nooit genoeg, en wie op rijkdom belust is nooit van de opbrengst. Ook dat is vluchtig.

Groeit het bezit, dan groeit ook het aantal monden dat ervan eet. Wat heeft de bezitter er dan aan, behalve dat zijn ogen ernaar mogen kijken?

Heerlijk slaapt de werkende mens, of hij nu weinig of veel gegeten heeft;
maar de rijke wordt door zijn overvloed uit de slaap gehouden.

Er is een pijnlijk kwaad dat ik onder de zon heb waargenomen: rijkdom die zijn eigenaar oppot, tot zijn eigen nadeel.

Gaat die rijkdom door een mislukte onderneming verloren en heeft hij een zoon verwekt, dan blijft er voor die zoon niets over.

Naakt is hij uit de moederschoot gekomen, en even naakt gaat hij weer heen zoals hij kwam;
van al zijn zwoegen neemt hij niets mee dat hij in zijn hand kan houden.

Ook dat is een pijnlijk kwaad: precies zoals hij kwam, zo vertrekt hij weer. Wat schiet hij er dan mee op dat hij zich voor de wind heeft afgesloofd?

Bovendien brengt hij al zijn dagen etend in het duister door, in veel ergernis, met ziekte en verbittering.

Zie, wat ik als goed en gepast heb ondervonden is dit: te eten, te drinken en het goede te ervaren bij al het zwoegen waarmee een mens zich onder de zon aftobt, gedurende de weinige levensdagen die God hem toebedeelt, want dat is zijn deel.

Ja, wanneer God iemand rijkdom en bezit schenkt en hem in staat stelt daarvan te eten, zijn deel te nemen en zich in zijn zwoegen te verheugen, dan is dat een gave van God.

Dan blijft hij niet lang stilstaan bij de dagen van zijn leven, omdat God hem vervuld houdt met de vreugde in zijn hart.

← Prediker 4Prediker 6 →