Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Prediker 1

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Hier volgen de woorden van Qohelet, zoon van David en koning in Jeruzalem.

Één en al vluchtigheid, zei Qohelet, één en al vluchtigheid, alles is even vluchtig.

Wat levert het een mens uiteindelijk op dat hij zich aftobt met al zijn geploeter hier onder de zon?

De ene generatie verdwijnt en de volgende dient zich aan, maar de aarde blijft door de eeuwen heen bestaan.

Op gaat de zon en onder gaat de zon, en hijgend spoedt zij zich terug naar het punt waar zij weer zal verrijzen.

Zuidwaarts trekt de wind en dan wendt hij zich naar het noorden;
rond en rond blijft hij gaan, en steeds keert hij op zijn eigen banen terug.

Alle rivieren monden uit in de zee, en toch raakt de zee nooit vol;
naar de plek waar de rivieren ontspringen keren zij terug om opnieuw hun loop te beginnen.

Alles is even afmattend, meer dan een mens onder woorden kan brengen;
het oog kijkt zich nooit verzadigd en het oor luistert zich nooit vol.

Wat er ooit was zal er weer zijn, en wat ooit gedaan werd zal opnieuw gedaan worden;
werkelijk nieuw is er niets onder de zon.

Wijst iemand op iets en zegt hij: “Kijk toch, dit is nieuw”? Het bestond allang, in de tijdperken die aan ons voorafgingen.

Aan de mensen van vroeger denkt niemand meer, en ook de mensen die later komen zullen niet in herinnering blijven bij wie na hen leven.

Ik, Qohelet, ben koning van Israël in Jeruzalem geweest.

Vastberaden ging ik met wijsheid op onderzoek uit en speurde na wat er zich onder de hemel afspeelt. Het is een kwellende opgave die God de mensen heeft toebedeeld om zich ermee te kwellen.

Ik nam alles wat er onder de zon gebeurt in ogenschouw, en zie: het is allemaal vluchtig, niets dan grijpen naar wind.

Wat scheefgegroeid is valt niet recht te buigen, en wat er niet is valt niet mee te tellen.

Bij mijzelf overwoog ik: “Kijk, ik heb mijn wijsheid steeds verder uitgebreid, verder dan al mijn voorgangers die over Jeruzalem heersten;
rijk aan wijsheid en kennis is mijn hart geworden.”

Ik nam mij voor door te dringen tot de wijsheid, maar evengoed tot verdwazing en dwaasheid, en ik ontdekte dat ook dat niet meer is dan grijpen naar wind.

Want hoe meer wijsheid, hoe meer verdriet, en wie zijn kennis vergroot, vergroot zijn eigen leed.

← beginPrediker 2 →