Hoofdstuk
Openbaring 22
Daarna toonde hij mij de rivier met het water van het leven, helder als kristal, die ontsprong aan de troon van God en van het Lam. Op het plein van de stad, aan beide oevers van de rivier, stond de levensboom, die twaalfmaal vrucht voortbrengt: iedere maand levert hij zijn oogst, en zijn bladeren dienen tot genezing van de volken. Er zal geen enkele vervloeking meer bestaan. In de stad zal de troon van God en van het Lam staan, en zijn dienaren zullen hem vereren. Zij zullen zijn gezicht zien, en op hun voorhoofd zal zijn naam staan. Nacht zal er niet meer zijn; zij hebben geen lamplicht of zonlicht nodig, want God, de Heer, zal hun licht zijn, en zij zullen regeren tot in alle eeuwigheden.
Toen sprak hij tot mij: “Deze woorden zijn betrouwbaar en waarachtig. De Heer, de God die de geesten van de profeten bezielt, heeft zijn engel gestuurd om aan zijn dienaren te laten zien wat binnenkort gebeuren moet.” En let op, ik kom spoedig! Gelukkig is wie zich houdt aan de profetische woorden van dit boek. Ik, Johannes, ben degene die dit alles gehoord en gezien heeft. En nadat ik het gehoord en gezien had, viel ik neer aan de voeten van de engel die mij dit liet zien, om hem te aanbidden. Maar hij hield mij tegen: “Doe dat niet! Ik ben een dienstgenoot van jou, van je broeders de profeten, en van allen die zich houden aan de woorden van dit boek. Aanbid God!” En hij zei tegen mij: “Houd de profetische woorden van dit boek niet verzegeld, want de tijd is nabij. Wie onrecht bedrijft, laat hij nog onrecht bedrijven; wie onrein is, laat hij nog onreiner worden; wie rechtvaardig is, laat hij nog rechtvaardig handelen; en wie heilig is, laat hij nog heiliger worden.”
Let op, ik kom spoedig, en mijn beloning draag ik met me mee, om ieder te vergelden naar wat hij gedaan heeft. Ik ben de Alfa en de Omega, ik ben de eerste en de laatste, de oorsprong en de voltooiing. Gelukkig zijn zij die hun kleren reinigen, want zo verwerven zij toegang tot de levensboom en mogen zij door de poorten de stad betreden. Buiten blijven de honden, de gifmengers, de ontuchtplegers, de moordenaars, de afgodendienaars, en ieder die de leugen liefheeft en in praktijk brengt. Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om hiervan tegenover jullie te getuigen, met het oog op de gemeenten. Ik ben de wortel en de nakomeling van David, de stralende morgenster. De Geest en de bruid zeggen: “Kom!” En laat ieder die het hoort, zeggen: “Kom!” Wie dorst heeft, mag komen; en wie wil, mag het water van het leven ontvangen, om niet.
Ik verklaar aan ieder die de profetische woorden van dit boek hoort: wie hier iets aan toevoegt, hem zal God de plagen opleggen die in dit boek beschreven staan; en als iemand iets wegneemt van de woorden van dit profetische boek, zal God hem zijn deel ontnemen aan de boom van het leven en aan de heilige stad, waarover in dit boek geschreven staat. Hij die van dit alles getuigt, verklaart: “Ja, ik kom spoedig.” Amen. Kom, Heer Jezus! Moge de genade van de Heer Jezus met allen zijn. Amen.