Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Obadja 1

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Het visioen van Obadja. Dit verklaart de soevereine HEER over Edom. Een tijding hebben wij van de HEER vernomen, en een bode is naar de volken gestuurd: “Sta op, laten wij ten strijde tegen haar optrekken!” Zie, ik maak je gering onder de volken; diep veracht word je. De verwaandheid van je hart heeft je bedrogen, jij die in rotsspleten huist en hoog gezeteld bent, jij die bij jezelf denkt: “Wie werpt mij ter aarde neer?” Al vlieg je zo hoog als de arend en al nestel je tussen de sterren, van daar haal ik je omlaag, luidt het woord van de HEER.

Kwamen er dieven bij je, nachtelijke rovers, hoe zwaar zou je getroffen zijn, maar zouden zij niet slechts hun buit meenemen? Kwamen er druivenplukkers, zouden zij niet wat nalezing laten liggen? Hoe grondig is Ezau doorzocht, zijn verborgen schatten opgespoord! Tot aan de grens hebben je bondgenoten je verdreven; wie vrede met je hielden bedrogen je en kregen je klein; wie van je brood aten spanden een val onder je, zonder dat je het doorzag. Zal ik op die dag, luidt het woord van de HEER, niet de wijzen uit Edom wegvagen en het inzicht uit Ezaus bergland? Dan verliezen je helden de moed, Teman, zodat door de slachting ieder uit het bergland van Ezau wordt uitgeroeid.

Om het geweld tegen je broeder Jakob zal schande je overdekken en word je voorgoed uitgeroeid. Op de dag dat je werkeloos toekeek, toen vreemden zijn bezit wegvoerden, buitenlanders zijn poorten binnendrongen en om Jeruzalem het lot wierpen, was ook jij een van hen. Kijk niet met leedvermaak neer op de dag van je broeder, de dag van zijn ongeluk; verheug je niet over de Judeeërs op de dag van hun ondergang en schep niet op op de dag van benauwenis. Zet geen voet in de poort van mijn volk toen het onheil hen trof; kijk ook jij niet toe bij zijn ellende op die noodlotsdag, en tast zijn bezit niet aan toen de ramp hem overkwam. Post je niet op de wegkruisingen om wie ontkomen wilden neer te sabelen, en geef zijn overlevenden niet prijs toen de nood het hoogst was.

Want de dag van de HEER over alle volken is nabij. Zoals jij hebt gedaan, zal jou geschieden; je daden keren op je eigen hoofd terug. Want zoals jullie op mijn heilige berg hebben gedronken, zo zullen alle volken onophoudelijk drinken; zij drinken en zwelgen en worden alsof zij nooit hebben bestaan.

Maar op de berg Sion zal er ontkoming zijn, en die berg zal heilig wezen; en het huis van Jakob zal opnieuw bezitten wat het bezat. Het huis van Jakob zal dan een vlammend vuur zijn, het huis van Jozef een laaiende vlam en Ezaus huis niet meer dan stoppels; zij zullen die aansteken en verteren, en van Ezaus geslacht blijft er niemand over, want zo heeft de HEER gesproken. De bewoners van de Negev zullen Ezaus bergland in bezit nemen en die van de Sefela het Filistijnse land; zij bezetten het gebied van Efraïm en Samaria, en Benjamin krijgt Gilead. De ballingen van dit leger, de Israëlieten, die onder de Kanaänieten tot aan Sarefat wonen, en de ballingen van Jeruzalem in Sefarad, zullen de steden van de Negev in bezit nemen. Bevrijders zullen de Sionsberg beklimmen om over Ezaus bergland recht te spreken, en aan de HEER zal het koningschap toebehoren.

← begineinde →