Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Micha 2

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Wee hen die op hun rustbed onrecht uitdenken en kwaad beramen; zodra het ochtendlicht aanbreekt, brengen zij het ten uitvoer, want zij hebben er de macht toe. Zij begeren akkers en eigenen zich die toe, huizen ook, en nemen die in bezit; zij verdrukken de man met zijn huisgezin, de mens met zijn erfdeel. Daarom, dit verklaart de HEER: zie, tegen dit geslacht beraam ik een onheil waaraan jullie je hals niet kunnen onttrekken; niet langer zullen jullie hoogmoedig rechtop gaan, want het wordt een kwade tijd. Op die dag zal men over jullie een spotdicht aanheffen en een bittere weeklacht: “Helemaal verwoest zijn wij; het deel van mijn volk wordt van eigenaar verwisseld, hoe wordt het mij afgenomen, aan verraders worden onze akkers verdeeld.” Daarom zul je in de gemeente van de HEER niemand hebben die met het meetsnoer een aandeel toewijst.

“Profeteer niet,” roepen zij als profeten; “over zulke dingen hoort men niet te profeteren, de schande zal ons niet achterhalen.” Is zulke taal geoorloofd, nakomelingen van Jakob? Zou de HEER zijn geduld verloren hebben? Zijn dit soms zijn werken? Doen mijn woorden geen goed aan wie oprecht zijn weg gaat? Maar sinds kort staat mijn volk als een vijand op. Wie argeloos voorbijgaat, afkerig van strijd, ontdoen jullie van zijn mantel, het bovenkleed. De vrouwen van mijn volk verjagen jullie uit hun geliefde huizen; hun kinderen ontneemt u mijn luister voorgoed. Maak je op en ga weg, want dit is de rustplaats niet: door haar onreinheid richt zij verderf aan, een bitter, onherstelbaar verderf. Zou iemand achter wind en leugen aan hollen en vals voorspiegelen: “Ik profeteer je wijn en bier,” dan zou dat de profeet voor dit volk zijn!

Ik zal je stellig bijeenbrengen, Jakob, jou in je geheel, en de rest van Israël verzamelen. Als schapen in een schaapskooi drijf ik hen bijeen, als een kudde te midden van haar weidegrond; het zal er gonzen van de mensen. De baanbreker trekt voor hen uit; zij breken door, gaan de poort door en trekken naar buiten. Hun koning gaat voor hen uit, met de HEER aan de spits.

← Micha 1Micha 3 →