Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Leviticus 26

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Maak je geen afgoden; richt geen gesneden beeld of gewijde steen op, en zet in je land geen steen met beeldwerk neer om je ervoor neer te buigen, want ik ben de HEER, jullie God. Houd mijn sabbatten en toon ontzag voor mijn heiligdom. Ik ben de HEER.

Leven jullie naar mijn bepalingen, nemen jullie mijn geboden in acht en handelen jullie ernaar, dan laat ik de regen op zijn tijd voor jullie vallen; het land levert dan zijn opbrengst en de veldbomen dragen hun vrucht. Het dorsen zal bij jullie doorlopen tot de druivenpluk en de druivenpluk tot de zaaitijd; volop brood zullen jullie eten en veilig in je land wonen. Ik schenk vrede in het land, zodat jullie kunnen neerliggen zonder dat iemand jullie opschrikt; het roofgedierte verjaag ik uit het land, en geen zwaard zal je gebied doortrekken. Jullie zullen je vijanden opjagen, en onder jullie zwaard zullen zij vallen. Vijf van jullie jagen er honderd op, honderd van jullie tienduizend; onder jullie zwaard vallen je vijanden neer. Ik zal mij naar jullie toekeren, jullie vruchtbaar en talrijk maken en mijn verbond met jullie gestand doen. Nog van de oude oogst, lang bewaard, zullen jullie eten, en het oude moeten jullie opruimen om plaats te maken voor het nieuwe. Mijn woning zal ik in jullie midden vestigen, en ik zal me niet van jullie afkeren. Ik zal te midden van jullie rondgaan; jullie God zal ik zijn en jullie zullen mijn volk zijn. Ik ben de HEER, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid, zodat jullie niet langer hun slaven waren; de bomen van jullie juk heb ik gebroken en jullie rechtop laten gaan.

Maar luisteren jullie niet naar mij en brengen jullie al deze geboden niet in praktijk, verwerpen jullie mijn bepalingen en staan jullie afkerig tegenover mijn voorschriften, zodat jullie mijn geboden niet naleven en mijn verbond verbreken, dan pak ook ik jullie zo aan: ik stort plotselinge ontzetting over jullie uit, met slopende ziekte en koorts die de ogen doen doven en de levenskracht wegteren. Voor niets zaaien jullie je zaad, want je vijanden verorberen het. Ik keer mij tegen jullie, zodat je vijanden jullie verslaan; wie jullie haten zullen over jullie heersen, en jullie slaan op de vlucht terwijl niemand jullie achtervolgt. En luisteren jullie ook dan nog niet naar mij, dan blijf ik jullie om je zonden zevenvoudig tuchtigen. Jullie trotse hoogmoed zal ik breken; je hemel maak ik hard als ijzer en je grond als koper. Vergeefs zullen jullie je kracht verbruiken, want je land geeft zijn opbrengst niet meer en de bomen op het veld dragen geen vrucht. Blijven jullie je tegen mij verzetten en weigeren jullie naar mij te luisteren, dan sla ik jullie nog zevenmaal harder, naar wat je zonden verdienen. Het wild gedierte laat ik op jullie los; het berooft jullie van je kinderen, roeit je vee uit en dunt je aantal zo uit dat je wegen verlaten komen te liggen. Laten jullie je hierdoor nog niet terechtwijzen en blijven jullie je tegen mij verzetten, dan zal ook ik mij tegen jullie verzetten en jullie om je zonden zelf zevenvoudig treffen. Ik breng een zwaard over jullie dat het geschonden verbond wreekt; trekken jullie je in je steden terug, dan stuur ik de pest onder jullie, en jullie worden aan de vijand overgeleverd. Wanneer ik jullie broodvoorraad afsnijd, zullen tien vrouwen je brood in één oven bakken en het jullie afgewogen teruggeven; eten zullen jullie, maar niet verzadigd raken. Luisteren jullie ondanks dit alles nog niet naar mij en blijven jullie je tegen mij verzetten, dan keer ik mij in woede tegen jullie en kastijd ik jullie om je zonden zelf zevenvoudig. Het vlees van je zonen zullen jullie eten, en ook het vlees van je dochters. Ik verwoest jullie offerhoogten, hak je wierookaltaren om en werp je lijken boven op de dode resten van je afgoden; en ik zal een afkeer van jullie krijgen. Jullie steden maak ik tot een puinhoop en je heiligdommen leg ik in puin, en de geur van je offers wil ik niet meer ruiken. Ikzelf zal het land zo verwoesten dat je vijanden die er hun intrek nemen zich erover ontzetten. Jullie verstrooi ik onder de volken en achter jullie trek ik het zwaard; je land wordt een woestenij en je steden een puinhoop. Dan haalt het land zijn sabbatten in, heel de tijd dat het braak ligt terwijl jullie in het gebied van je vijanden verblijven; het krijgt zijn rust en maakt zijn sabbatsjaren goed. Zolang het braak blijft liggen, krijgt het de rust die jullie het in je sabbatsjaren onthielden toen je er woonde. Wie van jullie overblijft, geef ik in het gebied van de vijand zo’n bevreesd hart dat al het opdwarrelen van een blad hen doet wegrennen; op de loop als voor een zwaard, komen zij ten val zonder dat iemand hen najaagt. De een struikelt over de ander als voor een zwaard, terwijl niemand hen opjaagt; tegen je vijanden zullen jullie geen stand houden. Jullie zullen omkomen tussen de volken, en het land van je vijanden zal jullie verslinden. Wie van jullie overblijft, kwijnt in het gebied van de vijand weg door zijn eigen schuld, en teert bovendien weg door wat de voorouders misdeden.

Bekennen zij echter hun eigen schuld en die van hun voorouders, de trouweloosheid waarmee zij mij bedrogen en zich tegen mij kantten, zodat ook ik mij tegen hen keerde en hen in het gebied van hun vijanden bracht, en buigt daar hun onhandelbare hart zich eindelijk en dragen zij de straf voor hun schuld, dan denk ik terug aan mijn verbond met Jakob, en ook aan mijn verbond met Isaak en aan mijn verbond met Abraham, en aan het land zal ik denken. Zo blijft het land door hen verlaten en haalt het zijn sabbatten in gedurende zijn woestenij zonder hen; en zij zullen boeten voor hun schuld, juist omdat mijn voorschriften door hen zijn verworpen en zij van mijn bepalingen walgden. En toch, ook al bevinden zij zich in het gebied van hun vijanden, verstoot ik hen niet en walg ik niet zozeer van hen dat ik hen zou uitroeien en mijn verbond met hen zou opzeggen, want ik ben de HEER, hun God. Om hunnentwil houd ik het verbond met de voorgaande generaties in gedachten, die ik voor de ogen van de volken uit Egypte leidde om hun God te zijn. Ik ben de HEER.” Dit zijn de bepalingen, de voorschriften en de onderwijzingen die de HEER op de berg Sinaï, door tussenkomst van Mozes, tussen zichzelf en de Israëlieten heeft vastgesteld.

← Leviticus 25Leviticus 27 →