Hoofdstuk
Kolossenzen 1
Van Paulus, apostel van de Gezalfde Jezus door de wil van God, en van onze broeder Timoteüs, aan de heiligen in Kolosse, de trouwe gelovigen die bij de Gezalfde horen: genade voor jullie en vrede van God, onze Vader.
Telkens als we voor jullie bidden, danken we God, de Vader van onze Heer Jezus de Gezalfde, want we hoorden van jullie vertrouwen op de Gezalfde Jezus en van de liefde die jullie voor alle heiligen koesteren, en dat om de hoop die in de hemel voor jullie klaarligt. Daarvan hebben jullie eerder gehoord toen het betrouwbare woord van het evangelie jullie bereikte, het evangelie dat bij jullie is gekomen. Overal ter wereld draagt het vrucht en groeit het, net als bij jullie, vanaf de dag dat jullie het hoorden en Gods genade in haar werkelijke gestalte hebben herkend. Dat hebben jullie leren kennen via Epafras, een geliefde collega in de dienst, die als trouwe helper van de Gezalfde namens ons bij jullie werkt en die ons ook heeft verteld over de liefde die de Geest in jullie heeft gewekt.
Sinds we dit vernamen, laten ook wij niet af voor jullie te bidden. We vragen dat jullie de kennis van zijn wil ten volle bezitten, met alle wijsheid en geestelijk begrip, zodat jullie leven op een manier die de Heer waardig is en hem in alles behaagt: door met elk goed werk vrucht te dragen en te groeien in de kennis van God, en door met alle kracht sterk gemaakt te worden, naar de macht van zijn glorie, tot alle volharding en geduld. Vol vreugde danken jullie de Vader, die jullie geschikt heeft gemaakt om te delen in het erfdeel dat de heiligen in het licht toekomt. Hij heeft ons ontrukt aan de heerschappij van het duister en ondergebracht in het rijk van de Zoon van wie hij houdt, door wie wij verlost zijn en onze zonden vergeven.
Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene die aan heel de schepping voorafgaat1. Want in hem werd alles geschapen, in de hemelen en op de aarde, het waarneembare en het onwaarneembare: tronen en heerschappijen, overheden en gezagsmachten. Dit alles is via hem en voor hem tot stand gekomen. Hij bestaat vóór alles, en in hem houdt alles stand. Hij is ook het hoofd van het lichaam: de gemeente. Hij vormt het begin, als eerste uit de dood opgestaan, zodat hij overal de voorrang zou hebben. In hem immers wilde God zijn volheid geheel en al haar woning geven en door hem alles met zich te verzoenen: door het bloed dat aan zijn kruis vloeide heeft hij vrede gesticht, en zo verzoend wat op de aarde is en wat in de hemel is.
Ook jullie waren ooit vervreemd en vijandig gezind, wat bleek uit je slechte daden. Maar nu heeft hij jullie verzoend in het sterfelijke lichaam waarin hij de dood onderging, om jullie heilig, vlekkeloos en onberispelijk voor zich te laten staan, mits jullie standvastig en stevig in het geloof blijven en je niet laten wegdrijven van de hoop die het evangelie brengt. Dat evangelie hebben jullie gehoord; het is verkondigd aan al wat onder de hemel geschapen is, en ik, Paulus, ben er dienaar van geworden.
Nu ben ik blij met wat ik voor jullie doorsta. Wat er aan de verdrukkingen van de Gezalfde nog ontbreekt, vul ik in mijn eigen lichaam aan, ten dienste van zijn lichaam, de gemeente. Van die gemeente ben ik dienaar geworden, krachtens de opdracht die God mij voor jullie gegeven heeft: het woord van God in zijn volle omvang bekend te maken, het geheim dat eeuwenlang en van geslacht op geslacht verborgen bleef, maar nu is onthuld aan zijn heiligen. Aan hen heeft God willen laten zien hoe rijk en glorierijk dit geheim voor de volken is: dat de Gezalfde in jullie woont, jullie hoop op de glorie. Hem verkondigen wij, terwijl we ieder mens terechtwijzen en ieder mens met alle wijsheid onderrichten, om iedereen als een volgroeid gelovige in de Gezalfde voor God te laten staan. Daarvoor zwoeg en strijd ik, met de kracht die hij machtig in mij aan het werk zet.