Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jona 2

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Vanuit de buik van de vis bad Jona tot de HEER, zijn God:

“In mijn benauwdheid riep ik de HEER aan, en hij gaf mij antwoord; vanuit de schoot van het dodenrijk schreeuwde ik om hulp, en u hoorde mijn stem. U slingerde mij de diepte in, midden in de zeeën, en een vloed sloot zich om mij heen; al uw branding en golven sloegen over mij heen. Ik dacht: ‘Verjaagd ben ik, buiten uw gezichtsveld’; toch zal ik opnieuw uw heilige tempel zien.

Het water reikte mij tot de keel, de oervloed omsloot mij, en zeewier omkranste mijn hoofd. Tot aan de wortels van de bergen zonk ik weg; de aarde grendelde zich voorgoed achter mij, maar u haalde mijn leven omhoog uit de kuil, HEER, mijn God. Toen het leven in mij wegvloeide, dacht ik aan de HEER, en mijn gebed bereikte u in uw heilige tempel.

Wie zich aan waardeloze afgoden hechten, geven de trouw prijs die hun geschonken is. Maar ik zal u offeren met een danklied en volbrengen wat ik heb beloofd; bij de HEER ligt de redding!”

Daarop gaf de HEER de vis bevel, en die braakte Jona uit op het droge.

← Jona 1Jona 3 →