Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Joël 1

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Het woord van de HEER dat tot Joël, de zoon van Petuël, kwam. Hoor dit, oudsten, en luister, alle inwoners van het land: heeft iets dergelijks zich ooit voorgedaan in jullie dagen of in die van jullie voorouders? Verhaal het aan je kinderen, en zij aan de hunne, en die weer aan het volgende geslacht. Wat de knaagsprinkhaan spaarde, at de veldsprinkhaan op; de rest van de veldsprinkhaan verslond de kaalvreter, en wat die naliet, vrat de knager weg.

Ontwaak, dronkaards, en huil; jammer, allen die wijn drinken, om de jonge wijn, want die is jullie van de lippen gerukt. Een volk heeft mijn land binnengevallen, machtig en ontelbaar; zijn tanden zijn die van een leeuw, zijn gebit dat van een leeuwin. Mijn wijnstok heeft het tot een woestenij gemaakt en mijn vijgenboom tot splinters; het schilde hem kaal en wierp hem neer, zodat zijn takken wit wegkwijnen. Weeklaag als een meisje dat in rouwkleed treurt om de bruidegom van haar jeugd. Graan- en plengoffer zijn uit het huis van de HEER verdwenen; de priesters, die de HEER dienen, zijn in rouw. Het veld is geplunderd en de bodem rouwt, want vernield is het koren, opgedroogd de jonge wijn, en de olie kwijnt weg. Sta beschaamd, akkerbouwers, en jammer, wijngaardeniers, om de tarwe en de gerst, want de veldoogst is verloren. Verdord staat de wijnstok, verlept de vijgenboom; granaatappel, dadelpalm en appelboom, heel het geboomte van het veld is uitgedroogd, en met de vreugde onder de mensen is het gedaan.

Doe een rouwgewaad aan en weeklaag, priesters; jammer, dienaars van het altaar; kom, breng de nacht in rouwkleed door, dienaars van mijn God, want graan- en plengoffer blijven weg uit het huis van jullie God. Kondig een heilige vasten af en roep een plechtige samenkomst uit; breng de oudsten met alle landbewoners samen bij de HEER, jullie God, in zijn huis, en roep daar de HEER aan. Wee die dag! Want de dag van de HEER is nabij en komt als een verwoesting van de Almachtige.

Werd het voedsel niet voor onze eigen ogen weggerukt, en uit het huis van onze God de vreugde en de jubel? De zaadkorrels verschrompelen onder de kluiten; de voorraadschuren liggen verlaten en de graanschuren zijn afgebroken, want het koren is mislukt. Hoor het vee kreunen! De runderkudden dwalen radeloos rond omdat er geen weiland voor hen is; ook de schaapskudden lijden eronder. Tot u, HEER, roep ik, want vuur heeft de steppeweiden verteerd en vlammen hebben alle bomen van het veld verzengd. Zelfs de wilde dieren smachten naar u, want de waterlopen zijn opgedroogd en vuur heeft de steppeweiden verslonden.

← beginJoël 2 →