Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Job 5

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Roep gerust: bestaat er iemand die je antwoord geeft? En naar wie onder de heiligen zou jij je kunnen keren?

Immers, een dwaas wordt door zijn eigen wrevel gedood, en de argeloze komt om door zijn jaloezie.

Ikzelf heb gezien hoe een dwaas wortel schoot, maar zonder verwijl sprak ik een vloek uit over zijn verblijf:

ver van elke redding staan zijn kinderen, in de stadspoort worden zij vertreden, en niemand ontrukt hen daaraan.

Zijn oogst verslindt de uitgehongerde, tot van tussen de distels graait hij die weg, en naar hun vermogen snakt de dorstige.

Want niet uit het stof ontspruit het kwaad, en niet uit de akkergrond ontkiemt de rampspoed;

het is de mens die tot zwoegen geboren wordt, zoals de vonken van de vlam naar boven wieken.

Ikzelf echter zou mij richten tot God, en aan hem zou ik mijn zaak overgeven,

aan hem die grootse daden verricht die niet te doorgronden zijn, wonderen die niet te tellen zijn;

die de regen uitstort over het oppervlak van het land en de wateren laat vloeien over de akkers;

die de nederigen tot hoogte verheft en de rouwenden tilt tot veilige oorden;

die de listen van sluwaards breekt, zodat hun handen geen doel bereiken;

die de wijzen strikt in hun eigen geslepenheid, waardoor de raadslag van de doortrapten overhaast in duigen valt.

Bij daglicht botsen zij op duisternis, en midden op de dag tasten zij als bij nacht in het rond.

Maar de behoeftige redt hij van het zwaard uit hun muil, uit de vuist van wie machtig is.

Zo daagt er voor de zwakke weer verwachting, en het onrecht heeft zijn mond te sluiten.

Zie toch: hoe voorspoedig de mens die door God wordt vermaand;
versmaad daarom de terechtwijzing van de Ontzagwekkende niet.

Want hij is het die kwetst en die weer omzwachtelt;
hij slaat, en juist zijn handen brengen genezing.

Uit zes noden zal hij je losmaken, en bij de zevende raakt geen onheil je aan.

In tijd van honger verlost hij je van de dood, en in de strijd van de macht van het zwaard.

Voor de zweepslag van de tong blijf je verborgen, en je hoeft niet te vrezen wanneer verwoesting nadert.

Om vernieling en hongersnood zul je glimlachen, en voor het gedierte van het land hoef je niet beducht te zijn.

Met de keien van het veld sluit je immers een bond, en het wild van de vlakte houdt vrede met jou.

Je zult ondervinden dat vrede heerst in je tent;
je monstert je bezit en niets ontbreekt eraan.

Je zult gewaarworden dat je nakroost talrijk is, je nakomelingen zo overvloedig als het gewas op het land.

Rijp en verzadigd zul je het graf binnengaan, gelijk een schoof die op zijn eigen uur wordt binnengehaald.

Zie, dit alles hebben wij doorvorst, en zo is het werkelijk;
hoor het aan, en neem het voor jezelf ter harte.

← Job 4Job 6 →