Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Job 37

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Ook hierom beeft mijn hart en maakt het een sprong uit zijn plaats.

Luister toch aandachtig naar het gedreun van zijn stem, naar het gerommel dat aan zijn mond ontsnapt.

Onder heel het hemelgewelf laat hij het los, en zijn lichtflits reikt tot aan de zomen van de aarde.

Daarachter loeit een stem;
met zijn verheven geluid dondert hij, en hij houdt de bliksems niet in wanneer zijn stem weerklinkt.

Op wonderbaarlijke wijze dondert God met zijn stem;
grote dingen verricht hij die ons begrip te boven gaan.

Want tegen de sneeuw gebiedt hij: “Daal neer op de aarde,” en tegen de regenvlaag: “Word een stortvloed van zijn kracht.”

De hand van elke mens legt hij stil, zodat alle mensen die hij vormde zijn werk zouden erkennen.

Dan trekt het wild zich in zijn schuilhoek terug en houdt het zich op in zijn holen.

Uit de binnenkamer breekt de wervelstorm los, en met de verstrooiende winden komt de kou.

Door de adem van God ontstaat het ijs, en de weidse wateren stollen tot een harde vlakte.

Ook laadt hij de wolk vol vocht en spreidt zijn bliksemwolk wijd uit.

En die wentelt in het rond, alle richtingen op, gestuurd door zijn beleid, om alles te volbrengen wat hij haar opdraagt over heel de bewoonde wereld.

Of het nu als tuchtroede dient, of ten bate van zijn land, of als teken van trouw, hij laat het zijn doel bereiken.

Sla hier acht op, Job;
kom tot stilstand en let op de wonderdaden van God.

Weet jij hoe God hun zijn opdracht oplegt en het licht van zijn wolk laat oplichten?

Doorzie jij het zweven van de wolken in hun evenwicht, de wonderdaden van hem wiens kennis volkomen is?

Jij, wiens kleren gloeien van de hitte terwijl de aarde stil ligt onder de zuidenwind:

kun jij samen met hem het uitspansel uithameren, zo hard als een gegoten spiegel?

Maak ons duidelijk wat wij hem moeten zeggen;
wegens de duisternis krijgen wij onze woorden niet op orde.

Moet hem verteld worden dat ík wil spreken? Heeft ooit een mens gevraagd om verzwolgen te worden?

En nu kan men niet naar het licht kijken dat verblindend aan de wolkenhemel staat, wanneer een wind is langsgetrokken en de lucht heeft schoongeveegd.

Uit het noorden komt een gouden gloed aanzetten;
rondom God ligt een ontzagwekkende luister.

De Almachtige blijft voor ons ondoorgrondelijk;
overweldigend is hij in macht en rechtspraak, overvloeiend van gerechtigheid, en niemand buit hij uit.

Om die reden koesteren de mensen ontzag voor hem;
op wie zichzelf wijs wanen slaat hij geen acht.

← Job 36Job 38 →