Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Job 27

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Job vervolgde zijn rede en zei:

Zo zeker als God leeft, die mij mijn recht heeft onthouden, en de Almachtige, die mijn ziel met bitterheid heeft gevuld:

zolang mijn ademhaling nog in mij aanwezig is en de levensgeest van God in mijn neusgaten blijft,

zal er van mijn lippen geen onrecht komen en zal mijn tong geen enkel bedrog voortbrengen.

Het is verre van mij dat ik jullie in het gelijk zou stellen;
totdat ik de laatste adem uitblaas laat ik mijn onschuld niet varen.

Aan mijn rechtschapenheid klamp ik mij vast en geef haar niet prijs;
over geen enkele van mijn dagen doet mijn geweten mij verwijten.

Laat mijn tegenstander vergaan als een goddeloze, en wie zich tegen mij verheft als een onrechtpleger.

Want welk uitzicht rest de godvergetene wanneer hij wordt afgekapt, op het moment dat God zijn leven van hem terugvordert?

Zou God nog naar zijn hulpgeroep luisteren zodra de benauwdheid hem overvalt?

Zal hij zich aan de Almachtige verlustigen en God bij elke gelegenheid aanroepen?

Ik zal jullie inzicht geven in de hand van God, en wat de Almachtige voorheeft zal ik niet achterhouden.

Zie, jullie hebben het zelf allemaal met eigen ogen gezien;
waarom vervallen jullie dan tot zulke holle woorden?

Dit is het aandeel dat de goddeloze bij God toevalt, de erfenis die geweldplegers van de Almachtige ontvangen:

hoe talrijk zijn kinderen ook worden, voor het zwaard zijn zij bestemd, en zijn nakomelingen zullen zich niet aan brood verzadigen.

Wie hem overleven worden door de pest ten grave gebracht, en hun weduwen zullen om hen geen tranen laten.

Al stapelt hij zilver op tot een berg als stof en legt hij kledingstukken opeen als leem,

hij hoopt het wel op, maar het is de rechtvaardige die het draagt, en de schuldeloze die zijn zilver onder elkaar verdeelt.

Zo broos als een spinsel bouwt hij zijn huis, als het hutje dat een veldwachter neerzet.

Rijk gaat hij te ruste, maar voor het laatst;
hij slaat zijn ogen op, en hij is er niet meer.

Als een overstroming overvallen hem de verschrikkingen;
in de nacht sleurt een windhoos hem mee.

De oostenwind grijpt hem op en hij is verdwenen, weggeslingerd van de plek waar hij stond.

Meedogenloos beukt zij op hem in, terwijl hij hals over kop aan haar greep tracht te ontkomen.

Men klapt over hem in de handen en sist hem weg, ver van de plaats waar hij thuishoorde.

← Job 26Job 28 →