Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Job 17

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Mijn levensadem is opgebruikt, mijn dagen zijn gedoofd, en het graf ligt voor mij klaar.

Werkelijk, aan alle kanten omringt spotternij mij, en op hun tergende blikken blijft mijn oog rusten.

Wees toch zelf mijn borg bij jou;
wie anders zou de hand voor mij willen inslaan?

Hun verstand heb je immers voor doorzicht vergrendeld;
daarom laat je hen niet triomferen.

Wie zijn vrienden verraadt in ruil voor een aandeel in de buit, diens kinderen zullen met bezwijkende ogen wegteren.

Tot een spreekwoord onder de volken heeft hij mij gemaakt, iemand op wiens gezicht men openlijk spuwt.

Van verdriet is mijn oog verdoft, en al mijn ledematen zijn nauwelijks meer dan een schim.

Rechtschapenen slaat de verbijstering hierover om het hart, en de schuldeloze windt zich op tegen de godvergetene.

Toch klampt de rechtvaardige zich aan zijn koers vast, en wie zuivere handen heeft wint gestaag aan kracht.

Maar keer allemaal maar weer terug, kom maar;
onder jullie tref ik er toch niet één die wijs is.

Voorbij zijn mijn dagen, doorgesneden mijn voornemens, verbrokkeld alles waarnaar mijn hart verlangde.

De nacht maken zij tot dag: “Het licht,” beweren zij, “is nabij,” terwijl de duisternis vlak voor de deur staat.

Al blijf ik hopen, het dodenrijk wordt mijn onderkomen;
in de duisternis spreid ik mijn slaapmat uit.

Tegen de groeve zeg ik: “Jij bent mijn vader,” en tegen de made: “Mijn moeder en mijn zuster.”

Waar is dan mijn verwachting nog te vinden? En die verwachting van mij, wie zou haar ooit ontwaren?

Zal zij met mij afzakken tot de grendels van het dodenrijk, wanneer wij tezamen wegzinken in het stof?

← Job 16Job 18 →