Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Job 13

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Kijk, dit alles heeft mijn oog waargenomen, en mijn oor heeft het opgevangen en doorzien.

Al wat jullie kennen, is ook mij bekend;
bij jullie doe ik niet onder.

Maar mijn wens is het woord te richten tot de Almachtige, en het is mij erom te doen mijn zaak met God uit te vechten.

Jullie daarentegen bestrijken alles met verzinsels;
niets dan waardeloze genezers zijn jullie, van de eerste tot de laatste.

Bewaarden jullie maar volstrekt het stilzwijgen;
juist dát zou jullie voor wijs doen doorgaan!

Hoor dan toch mijn verdediging aan, en sla acht op de aanklachten die van mijn lippen komen.

Willen jullie soms ten gunste van God met kromme taal spreken, en omwille van hem bedrieglijke woorden voortbrengen?

Willen jullie hem naar de mond praten, willen jullie zijn pleit voeren?

Zou het jullie goed vergaan wanneer hij jullie doorlichtte? Zouden jullie hem om de tuin leiden zoals men een mens beetneemt?

Zonder mankeren zal hij jullie de les lezen indien jullie stiekem de kant van iemand kiezen.

Zou zijn majesteit jullie niet doen huiveren, en de angst voor hem jullie niet bespringen?

Wat jullie als spreuken aandragen is stof en as, en jullie verweer is niets dan bolwerken van leem.

Houd toch je mond tegenover mij, dan is het aan mij te spreken;
laat over mij dan komen wat er ook maar komt.

Waartoe zou ik mijn eigen vlees in mijn tanden klemmen en mijn leven op mijn eigen handpalm dragen?

Zie, ook al bracht hij mij om, ik blijf mijn hoop op hem stellen;
toch wil ik mijn levenswandel recht in zijn gezicht bepleiten.

Ook dat zal mij tot behoud strekken, want voor zijn aangezicht komt geen godvergetene.

Luister nauwgezet naar wat ik zeg, en laat mijn verklaring tot in jullie oren doordringen.

Zie, mijn rechtszaak heb ik op orde gebracht;
ik ben ervan overtuigd dat ik gelijk zal krijgen.

Wie is degene die tegen mij een geding wil aanspannen? Want zweeg ik, dan zou ik de laatste adem uitblazen.

Onthoud mij slechts deze twee dingen, dan zal ik mij niet voor jou verschuilen:

houd je hand op een afstand van mij, en laat de schrik voor jou mij niet overrompelen.

Roep mij dan, en ik geef antwoord, of laat mij het woord voeren, en dien mij van repliek.

Hoeveel wandaden en misslagen staan er op mijn naam? Maak mij mijn overtreding en mijn zonde toch kenbaar.

Waarom onttrek je je gelaat aan mij en zie je in mij een tegenstander?

Wil je een opgewaaid blad de stuipen op het lijf jagen, en achter een verdorde strohalm aan zitten?

Want bittere aanklachten stel je tegen mij op schrift, en je laat mij de misstappen van mijn jonge jaren erven.

Mijn voeten sluit je in het blok, en al mijn wegen bewaak je scherp;
rond de zolen van mijn voeten trek je een streep.

En zo vergaat de mens als iets wat wegrot, als een gewaad dat door de motten is doorvreten.

← Job 12Job 14 →