Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jesaja 42

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Hier is mijn dienaar, die ik overeind houd, mijn uitverkorene, aan wie ik heel mijn vreugde beleef. Ik heb mijn Geest in hem gelegd, en hij zal het recht naar de volken toe brengen. Roepen zal hij niet, zijn stem niet luider maken en die niet op straat laten weerklinken. Een geknakt rietstengeltje breekt hij niet af en een kwijnende, walmende pit dooft hij niet uit; trouw en waarachtig laat hij het recht zegevieren. Zelf zal hij niet verzwakken of geknakt raken voordat hij op aarde het recht heeft neergezet; de verre kustlanden wachten vol verlangen op zijn onderwijzing.

Zo klinken de woorden van God, de HEER, die de hemel heeft geschapen en opengespannen, die de aarde en al haar gewassen heeft uitgerold, die ademtocht schenkt aan het volk daarop en levensadem aan allen die er rondgaan: ik, de HEER, heb jou in rechtvaardigheid ontboden en houd je bij de hand vast; ik waak over je en stel je aan tot een verbond met het volk en tot een lichtbaken voor de volken, om ogen die blind zijn te laten opengaan, om gevangenen uit hun cel te bevrijden en wie in het duister gezeten zijn uit de kerker naar buiten te leiden. Ik ben de HEER, zo luidt mijn naam; mijn glorie sta ik aan niemand anders af en mijn lof komt geen godenbeelden toe. Kijk, wat vroeger was voorzegd is nu uitgekomen, en nieuwe dingen maak ik bekend; nog voordat ze opkomen, laat ik jullie ervan horen.

Hef voor de HEER een nieuw gezang aan en zing zijn lof tot aan het uiteinde van de aarde: jullie die de zee bevaren met alles wat daarin leeft, en jullie kustlanden met al je bewoners. Laten de woestijn en haar steden luid van zich laten horen, met de tentdorpen waar Kedar zich ophoudt; laten de inwoners van Sela het uitjubelen en van de bergtoppen af juichen. Laten zij de HEER de glorie toebrengen en zijn roem verkondigen op de verre kusten.

De HEER rukt uit als een strijdheld en wakkert zijn vechtlust aan als een geoefend krijger; hij slaakt de oorlogskreet, ja, hij brult het uit, en tegenover zijn vijanden toont hij zijn overmacht. Van oudsher heb ik gezwegen, ik hield mij koest en beheerste mij; maar nu kerm ik als een vrouw die baart, ik snak naar adem en hijg tegelijk. Bergen en heuvels leg ik in puin en al hun begroeiing laat ik verdorren; rivieren maak ik tot eilanden en de waterpoelen laat ik opdrogen. Blinden zal ik geleiden over een weg die hun onbekend was en langs paden die zij nooit kenden zal ik hen voeren; de duisternis die voor hen ligt verander ik in licht en het ruige terrein maak ik effen. Dit zijn de dingen die ik ga doen, en ik zal ze niet in de steek laten. Wie op godenbeelden vertrouwen, deinzen diep beschaamd terug, zij die tegen gegoten afgoden zeggen: “Jullie zijn onze goden.”

Jullie doven, spits je oren; jullie blinden, kijk op en zie het. Wie is er zo blind als mijn eigen dienaar en zo doof als de gezant die ik eropuit stuur? Wie is er zo blind als degene die aan mij is toegewijd, zo blind als de dienaar van de HEER? Je hebt van alles gezien, maar je slaat er geen acht op; de oren staan wagenwijd open, maar er wordt niet geluisterd. Het was de wens van de HEER, ter wille van zijn rechtvaardigheid, zijn onderwijzing groots en indrukwekkend te maken. En toch is dit een volk dat is leeggeroofd en kaalgeplukt, allemaal gevangen in valkuilen en opgesloten in gevangenissen. Ze werden buitgemaakt zonder dat iemand hen redde, tot prooi gemaakt zonder dat iemand riep: “Geef terug!” Wie van jullie wil hier goed naar luisteren, wil er acht op slaan en horen wat er in de toekomst gebeurt? Wie heeft Jakob aan de plundering prijsgegeven en Israël aan rovers uitgeleverd? Was dat niet de HEER, tegen wie wij ons hebben misdragen? Ze weigerden zijn wegen te bewandelen en gaven geen gehoor aan zijn onderwijzing. Daarom goot hij zijn brandende woede en het geweld van de strijd over hem uit; het vlamde aan alle kanten om hem heen, maar hij besefte het niet, het verteerde hem, maar hij trok er zich niets van aan.

← Jesaja 41Jesaja 43 →