Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jesaja 18

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Wee het land waar de vleugels gonzen, ginds voorbij de rivieren van Kus, dat zijn gezanten over zee uitstuurt in vaartuigen van papyrus over het water. Ga op weg, vlugge boden, naar een volk dat rijzig is en gladgeschoren, naar een natie die overal wordt gevreesd, een volk dat met het meetsnoer indeelt en alles vertrapt, en waarvan rivieren het land doorsnijden. Alle bewoners van de wereld, jullie allen die de aarde bevolken: zodra er op de bergen een vaandel omhooggaat, kijk dan toe; zodra de ramshoorn schalt, spits dan je oren.

Want dit heeft de HEER mij gezegd: Vanuit mijn woonplaats zie ik onbewogen toe, als de flonkerende hitte in het zonlicht, als een dauwwolk tijdens de gloeiende oogsttijd. Want nog voor het oogsten, wanneer de bloei achter de rug is en de bloesem tot een rijpende druif is geworden, snijdt hij de ranken met snoeimessen weg en kapt hij de uitschietende twijgen eraf. Alles blijft liggen voor de roofvogels in de bergen en de wilde dieren op het land; de roofvogels overzomeren erop en alle dieren van het land overwinteren er.

In die tijd zal er een gave worden aangeboden aan de HEER van de hemelse legermachten: afkomstig van een volk dat rijzig is en gladgeschoren, van een natie die overal wordt gevreesd, een volk dat met het meetsnoer indeelt en alles vertrapt, wiens land door rivieren wordt doorsneden; die gave gaat naar de plaats waar de naam van de HEER van de hemelse legermachten woont, de berg Sion.

← Jesaja 17Jesaja 19 →