Hoofdstuk
Jeremia 7
Dit is het woord dat vanwege de HEER tot Jeremia kwam: neem plaats in de poort van de tempel van de HEER en verkondig daar deze boodschap; zeg: heel Juda, geef acht op wat de HEER verkondigt, jullie allen die langs deze poorten binnentreden om voor de HEER te knielen. Dit verklaart de HEER van de hemelse legermachten, de God van Israël: breng verbetering in je levenswandel en je daden, dan zal ik jullie op deze plek laten blijven wonen. Vertrouw niet op die bedrieglijke leuze: “Hier staat de tempel van de HEER, de tempel van de HEER, de tempel van de HEER!” Alleen als je je gedrag en je daden werkelijk verbetert, als je onder elkaar werkelijk rechtvaardig handelt, als je de vreemdeling, de wees en de weduwe niet uitbuit, op deze plek geen onschuldig bloed vergiet en niet achter andere goden aan loopt tot je eigen verderf, dan laat ik jullie op deze plek blijven wonen, in het land dat ik voor eeuwig en altijd aan jullie voorouders heb geschonken.
Maar zie, jullie stellen je vertrouwen op leugenachtige woorden waar je niets aan hebt. Stelen, doden, overspel plegen, meineed afleggen, offers branden voor Baäl en achter andere goden aan lopen die jullie nooit gekend hebben, en dan komen jullie voor mijn aangezicht staan in deze tempel die mijn naam draagt en verklaren jullie gered te zijn, om vervolgens al die gruweldaden door te zetten? Beschouwen jullie de tempel die mijn naam draagt soms als een schuilplaats voor rovers? Wees ervan overtuigd dat ook ik dat heb gezien, luidt de uitspraak van de HEER. Trek dan eens naar de plek in Silo waar ik in het begin mijn naam heb gevestigd, en bekijk wat ik daarmee heb aangericht vanwege de verdorvenheid van mijn volk Israël. En nu, aangezien jullie dit alles hebben uitgehaald, luidt de uitspraak van de HEER, en aangezien ik keer op keer tot jullie sprak zonder dat jullie luisterden en jullie riep zonder dat jullie antwoord gaven, daarom zal ik met de tempel die mijn naam draagt en waarop jullie bouwen, en met de plek die ik aan jullie en jullie voorouders heb gegeven, precies hetzelfde doen als wat ik met Silo heb gedaan. Ik zal jullie uit mijn nabijheid verstoten, net zoals ik al jullie verwanten heb verstoten, heel het nageslacht van Efraïm.
En wat jou betreft: bid niet voor dit volk, hef geen smeekbede of gebed voor hen aan en probeer mij niet te vermurwen, want ik zal niet naar je luisteren. Zie je dan niet wat zij uitspoken in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem? De kinderen sprokkelen brandhout, de vaders leggen het vuur aan en de vrouwen maken deeg klaar om er offerkoeken van te bakken voor de koningin van de hemel; en om mij te krenken plengen ze wijnoffers voor andere goden. Krenken ze daarmee werkelijk mij? luidt de uitspraak van de HEER. Nee, ze berokkenen zichzelf schade en halen zich hun eigen schande op de hals. Daarom kondigt de soevereine HEER dit aan: mijn woede en mijn razernij worden over deze plek uitgestort, over mens en dier, over het geboomte in het veld en de opbrengst van de akker; het zal branden zonder ooit te doven.
Dit zegt de HEER van de hemelse legermachten, de God van Israël: voeg je brandoffers gerust bij je slachtoffers en eet zelf het vlees maar op! Want toen ik jullie voorouders uit Egypte wegleidde, heb ik hun geen enkele opdracht of voorschrift over brand- en slachtoffers meegegeven. Wat ik hun wél opdroeg was dit: gehoorzaam wat ik zeg, dan ben ik voor jullie God en vormen jullie voor mij een volk; blijf precies op de weg die ik jullie voorschrijf, dan zal het jullie voorspoedig gaan. Maar ze gaven geen gehoor en spitsten hun oren niet; ze lieten zich leiden door hun eigen bedenksels en hun koppige, kwaadaardige hart, en keerden mij de rug in plaats van het gezicht toe. Vanaf de dag dat jullie voorouders uit Egypte wegtrokken tot aan vandaag heb ik keer op keer al mijn dienaren, de profeten, naar jullie gestuurd, dag in dag uit. Toch wilden zij niet naar mij luisteren of hun oor neigen; in plaats daarvan werden zij nog halsstarriger en gedroegen zij zich nog erger dan hun voorouders. Al deze woorden zul je hun voorhouden, maar ze zullen niet naar je luisteren; je zult hen roepen, maar ze zullen je geen antwoord geven. Zeg dan tegen hen: dit is het volk dat geen gehoor gaf aan de HEER, zijn eigen God, en zich niet liet gezeggen; de trouw is teloorgegaan en uit hun mond verdwenen.
Scheer je gewijde haren af en gooi ze weg, hef op de kale heuvels een klaagzang aan, want de HEER heeft de generatie waarop zijn toorn rust verworpen en verstoten. De inwoners van Juda hebben immers gedaan wat kwaad is in mijn ogen, luidt de uitspraak van de HEER; ze hebben hun weerzinwekkende afgoden opgesteld in de tempel die mijn naam draagt en die daardoor bezoedeld. Ze hebben de offerhoogten van Tofet aangelegd in het Ben-Hinnomdal om er hun eigen zonen en dochters als offer te verbranden, iets wat ik nooit heb bevolen en wat nooit bij mij is opgekomen. Daarom, let op, er breken dagen aan, luidt de uitspraak van de HEER, waarin men niet langer over Tofet of het Ben-Hinnomdal zal spreken, maar over het Slachtingsdal; en bij gebrek aan ruimte zal men zelfs in Tofet begraven. De dode lichamen van dit volk zullen tot voer dienen voor de vogels in de lucht en de dieren op het land, zonder dat iemand ze wegjaagt. En in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem zal ik een eind maken aan alle vrolijke en blijde geluiden, aan de stem van bruidegom en bruid, want het hele land zal in een puinhoop veranderen.