Woordanker leesuitgave ‹ ›

Hoofdstuk

Jeremia 50

Zie je iets dat beter kan? Klik op een vers om te reageren of om de uitleg te openen.

Het woord dat de HEER over Babel en over het land van de Chaldeeën uitsprak door bemiddeling van de profeet Jeremia.

Maak het onder de volken bekend, laat het weerklinken, hijs een banier en verkondig het zonder iets te verzwijgen: Babel is gevallen, Bel staat voor schut en Marduk ligt verpletterd; haar godenbeelden staan te schande en haar afgoden zijn verbrijzeld. Want er nadert een volk uit het noorden dat haar gebied herschept tot woestenij waar geen bewoner meer overblijft; mens en dier zijn er weggevlucht en verdwenen.

In die dagen, in die tijd, luidt de uitspraak van de HEER, zullen de Israëlieten samen met de Judeeërs komen; huilend zullen ze onderweg zijn en de HEER, hun God, zoeken. Ze zullen naar Sion vragen en die kant op koersen: “Kom, laten we ons bij de HEER aansluiten in een eeuwig verbond dat nooit vergeten wordt.” Mijn volk was een kudde die verdwaald raakte; hun herders brachten hen op een dwaalspoor en dreven hen de bergen in, van bergtop naar heuvel, tot ze hun rustplaats vergaten. Iedereen die hen tegenkwam verslond hen, en hun belagers zeiden: “Wij treffen geen blaam, want zij hebben gezondigd tegen de HEER, hun ware weidegrond, tegen de HEER, in wie hun voorouders hun hoop stelden.”

Vlucht weg uit Babel, verlaat het land van de Chaldeeën en ga als de bokken die aan de kop van de kudde lopen. Want let op, ik roep uit het noorderland een menigte machtige volken op en laat hen tegen Babel oprukken; ze stellen zich tegen haar op en van die kant wordt ze ingenomen; hun pijlen zijn als een doorgewinterde krijger die niet met lege handen thuiskomt. Chaldea wordt tot buit, en allen die haar leegroven raken verzadigd, luidt de uitspraak van de HEER. Verheug je maar, juich maar uitgelaten, plunderaars van mijn eigendom; dartel maar rond als een dorskalf op de dorsvloer en bries maar als dekhengsten, maar diep beschaamd staat jullie moeder, te schande gemaakt is zij die jullie ter wereld bracht. Kijk, ze wordt de minste onder de volken, een woestijn, een dor en droog gebied. Door de woede van de HEER blijft ze onbewoond en verandert ze in één en al verlatenheid; ieder die Babel voorbijtrekt zal huiveren en sissen om al haar wonden.

Stel je in slagorde rondom Babel op, jullie allen die de boog spannen; beschiet haar en spaar je pijlen niet, want ze heeft tegen de HEER gezondigd. Hef van alle kanten de strijdkreet tegen haar aan! Ze heeft zich overgegeven, haar steunpilaren zijn gevallen en haar muren neergehaald; dit is de wraak van de HEER. Neem wraak op haar en behandel haar zoals zij zelf te werk ging. Roei uit Babel de zaaier uit en wie in de oogsttijd de sikkel hanteert; voor het moordende zwaard keert ieder terug naar zijn eigen volk en vlucht ieder naar zijn eigen land.

Israël is een opgejaagd schaap dat door leeuwen uiteen is gedreven; eerst verslond de koning van Assyrië het, en ten slotte kloof Nebukadnezar, de koning van Babel, zijn botten af. Daarom, dit verklaart de HEER van de hemelse legermachten, de God van Israël: let op, ik ga afrekenen met de koning van Babel en zijn land, net zoals ik met de koning van Assyrië heb afgerekend. Israël voer ik terug naar zijn eigen weiden; op de Karmel en in Basan zal het grazen en op het bergland van Efraïm en in Gilead zijn honger stillen. In die dagen, in die tijd, luidt de uitspraak van de HEER, zal men de schuld van Israël zoeken zonder die te vinden, en de zonden van Juda zonder er een spoor van te ontdekken; want wie ik in leven laat, schenk ik vergeving.

Ruk op tegen Merathaim en tegen wie Pekod bewonen; zit hen achterna, breng hen om en tref hen met de ban, luidt de uitspraak van de HEER, en voer alles uit wat ik je heb opgedragen. Krijgsrumoer davert door het land, een enorme ineenstorting! Hoe is de moker die de hele aarde beukte stukgeslagen en verbrijzeld! Hoe is Babel een aanblik van ontzetting geworden onder de volken!

Ik heb je een val gezet en zonder dat je het doorhad ben je erin gelopen, Babel; je bent tegen de lamp gelopen en gevat, want je hebt je tegen de HEER verzet. De HEER heeft zijn wapenarsenaal geopend en de wapens van zijn toorn tevoorschijn gehaald, want de soevereine HEER van de hemelse legermachten heeft een taak te vervullen in het land van de Chaldeeën. Kom van alle kanten op haar af, breek haar voorraadschuren open, stapel haar op als korenhopen, tref haar met de ban en laat niets van haar overblijven. Steek al haar stieren neer en laat ze afdalen naar de slachtbank. Wee hun, want hun dag is aangebroken, het uur van hun afrekening.

Luister: vluchtelingen en ontkomenen uit Babel komen in Sion melden hoe de HEER, onze God, wraak heeft genomen, wraak voor zijn tempel. Roep de boogschutters op tegen Babel, allen die de boog hanteren; sla je kamp rondom haar op en laat niemand ontsnappen. Vergeld haar naar wat ze deed en behandel haar naar al haar daden, want tegen de HEER heeft ze zich hooghartig verheven, tegen de Heilige van Israël. Daarom sneuvelen haar jonge mannen op haar pleinen en komen op die dag al haar soldaten om, luidt de uitspraak van de HEER. Let op, ik keer mij tegen jou, overmoedige, luidt de uitspraak van de soevereine HEER van de hemelse legermachten, want jouw dag is aangebroken, het uur dat ik je afstraf. De overmoedige zal struikelen en neerstorten zonder dat iemand hem opricht; in zijn steden steek ik een vuur aan dat alles rondom hem verteert.

Dit verklaart de HEER van de hemelse legermachten: samen met de Judeeërs worden de Israëlieten onderdrukt; hun wegvoerders klampen zich aan hen vast en weigeren hen te laten gaan. Maar hun Verlosser is sterk, de HEER van de hemelse legermachten is zijn naam; met kracht zal hij hun rechtszaak bepleiten, zodat hij de aarde tot rust brengt en de inwoners van Babel doet sidderen.

Een zwaard treft de Chaldeeën, luidt de uitspraak van de HEER, en de inwoners van Babel, haar bestuurders en haar wijzen! Een zwaard treft de orakelpriesters, zodat ze als dwazen staan! Een zwaard treft haar helden, zodat ze van schrik bezwijken! Een zwaard treft haar paarden en wagens en heel het allegaartje in haar midden, zodat ze als weerloze vrouwen worden! Een zwaard treft haar schatten, zodat ze worden geplunderd! Een droogte treft haar wateren, zodat ze opdrogen! Want het is een land dat vol staat met godenbeelden, en om hun angstaanjagende gestalten gedragen de mensen zich als bezetenen.

Daarom zullen er woestijndieren met hyena’s huizen en struisvogels er hun verblijf houden; nooit meer zal ze bewoond zijn en van generatie op generatie blijft ze verlaten. Zoals God Sodom en Gomorra met de omliggende steden ondersteboven keerde, luidt de uitspraak van de HEER, zo zal daar niemand meer wonen en geen sterveling nog verblijven.

Kijk, uit het noorden nadert een volk; een grote natie en machtige koningen komen in beweging vanuit de uithoeken van de aarde. Ze grijpen boog en speer, meedogenloos zijn ze en zonder erbarmen; hun geraas bruist als de zee, en ze rijden op paarden, als één man opgesteld voor de strijd tegen jou, dochter Babel. Zodra de koning van Babel het nieuws over hen verneemt, verslappen zijn handen; angst overvalt hem, weeën als van een barende vrouw.

Kijk, zoals een leeuw omhoogkomt uit de wildernis langs de Jordaan naar de altijd groene weiden, zo verjaag ik hen daar in een oogwenk vandaan, en wie ik uitverkies stel ik over haar aan. Want wie kan zich met mij meten? Wie sleept mij voor de rechter, en welke herder houdt tegenover mij stand? Luister daarom naar het besluit dat de HEER over Babel heeft genomen en de plannen die hij tegen het land van de Chaldeeën heeft beraamd: werkelijk, men zal de kleinsten van de kudde wegsleuren; werkelijk, om hun lot zal hun weidegrond verbijsterd staan. Bij het bericht dat Babel is gevallen beeft de aarde, en haar gejammer weerklinkt onder de volken.

← Jeremia 49Jeremia 51 →